Rolmodel

Dankbare Mexicaanse kinderarts

Met hoop voor de toekomst

Ik ben Gabriela González Hernández. Ik ben een 36-jarige Mexicaanse kinderarts. Vijf jaar geleden trouwde ik met een Nederlander. We hebben een mooie dochter van vijf jaar oud en nog een dochtertje is onderweg.

Sinds bijna vier jaar geleden ben ik vanwege de liefde naar Nederland geëmigreerd. Het was geen makkelijke beslissing maar ik had de wens in mijn hart om een leven met mijn gezin hier op te bouwen. Zodra ik hier ben gekomen, heb ik mijn uitnodiging voor het assessment als arts gekregen en ben ik begonnen om de taal te leren. Er is geen duidelijke informatie over de hele procedure en ik wist niet hoe lang, duur en ingewikkeld deze zou zijn. Om de kennis van mijn beroep zoveel mogelijk op peil te houden en om het leren van de taal en het medische systeem in Nederland te versnellen, zocht ik naar mogelijkheden om te werken binnen de gezondheidszorg. Ik heb alleen maar afwijzingen gekregen door het lage niveau van het Nederlands. De kans om als buitenlandse arts tenminste een vrijwillige baan binnen de gezondheidszorg te vinden is bijna nul. Het was een zeer moeilijke periode voor mij met veel hopeloosheid en machteloosheid. Op deze manier ben ik mijn assessment vol met obstakels begonnen. Het is niet makkelijk op deze manier zonder hulpmiddelen door te gaan.

Ik heb altijd veel inspanningen gedaan om de taal en het medisch systeem te leren kennen. Gelukkig heb ik hulp van een aardige huisarts gekregen en mocht ik, een keer per week, meelopen in haar praktijk. Daarvoor ben ik heel dankbaar. Het was heel goed om in een medische omgeving terug te zijn. Maar als specialist was dat niet genoeg. Ik heb de VNVA door LinkedIn gevonden. Het was een geschenk van God. Ik heb contact met ze gemaakt en ik heb alleen maar acceptatie gekregen en een echte wens om mij te helpen. Door een hulpaardige arts van de VNVA heb ik nog een aardige kinderarts gevonden die mij begeleidt op de afdeling kindergeneeskunde van het LUMC waar ik tot op heden vrijwillig meeloop. Ik heb heel veel geleerd en mijn taal is goed verbeterd. Ik ben heel dankbaar voor de VNVA. Ze helpen mij om mijn wens te bereiken, om ook als kinderarts werkzaam te zijn. Er is nog veel in de situatie van buitenlandse artsen in Nederland te verbeteren.  De eisen voor ons als buitenlandse artsen zijn zeer hoog en we moeten dubbele inspanningen doen. Ik moet alsnog en voor de tweede keer in mijn medische carrière coschappen afronden. Het is heel ingewikkeld om in deze fase van mijn leven nog een studentenleven in te passen. Na deze periode is de weg nog lang en onzeker. De BIG-registratie is het eerste doel. Maar als buitenlandse artsen zijn we in het nadeel om een opleiding tot specialist of later een baan te krijgen. Maar ik geloof in de kracht van goede mensen. Op deze manier is de Vereniging van Buitenlandse Gediplomeerde Artsen (VBGA) recentelijk opgericht die heel behulpzaam is. Ik heb goede vrouwelijke artsen ontmoet die mij hebben geholpen. Ik geloof in de macht van de eenheid van vrouwen. Ik geloof dat de VNVA een groot verschil kan maken voor buitenlandse vrouwelijke artsen zoals ik. Nu ga ik door met hoop in mijn hart voor onze toekomst in Nederland.

Lees meer...

 

01 PrijswinnaresAls kersverse Corrie Hermann prijs winnares Jeanine Roeters van Lennep, 39 jaar begint over gendersensitieve geneeskunde is wel duidelijk waar haar passie ligt. Begonnen met het bij houden van de database van haar vader, cardioloog, is ze in het onderzoek naar verschillen tussen cardiovasculaire risicofactoren en interventies bij mannen en vrouwen gerold en is zij nu een spil in het implementeren en integreren van genderspecifieke kennis in het onderwijs.   

Preeclampsie
Dat het mogelijk is om in de academische wereld snel iets in de praktijk te brengen heeft Jeanine wel bewezen. Ze was nog geen half jaar aan de slag in het ErasmusMC en de preeclampsie poli, samen met de gynaecologen, was al in gang gezet. Roeters van Lennep: “Het gaat om een groep vrouwen van ongeveer 100 per jaar in de regio Zuid West Nederland. Vrouwen met ernstige preeclampsie hebben een zeven keer verhoogd risico op hart en vaatziekten (vergelijkbaar met diabetes en familiaire hypercholesterolemie), en er is dus een enorme window of opportunity om deze vrouwen preventief te begeleiden. Zij krijgen elke twee jaar een cardiovasculaire risicoscreening. Verder heeft deze groep vrouwen meestal een zeer traumatische bevalling achter de rug. In het begin gaat alle aandacht naar het kind. Pas na een tijdje beseffen ze zich wat er gebeurd is, en hoewel wij geen psychologen zijn kunnen we psychische problemen (ook regelmatig PTSS) wel beter onderkennen. Mensen zijn heel tevreden, en toch is Rotterdam de enige plek in Nederland waar deze nazorg wordt geboden.” Jeanine maakte ook deel van de Richtlijnencommissie Cardiovasculair risicomanagement na reproductieve stoornissen, maar er is nog onvoldoende steun om dit beleid in de richtlijnen over te nemen.  “Misschien kunnen huisartsen eens kijken of er bij  vrouwen met (ernstige) preeclampsie wel eens een bloeddruk is gemeten?”, voegt ze er praktisch aan toe.

Roeters van Lennep grossiert in bijzondere poli's. Ze heeft ook een poli samen met de gynaecologen voor vrouwen met PCOS en POI en daarnaast behandelt zij hele gezinnen met FH (familaire hypercholesterolemie) op de “familiepoli”. Hoewel de aandacht nu vooral ligt op vrouwen, wil Roeters van Lennep zich ook meer op de samenwerking met urologen gaan richten. “Zoals een uroloog onlangs zei: 'de penis is de antenne van het hart''  en erectiele dysfunctie zou je ook meer serieus moeten nemen als marker voor microvaten en verhoogd hart en vaatriscio. Ook Klinifelter mannen hebben een verhoogd risico. “

M/v verschillen
Cardiovasculaire geneeskunde vormt op dit moment het boegbeeld van de genderspecifieke geneeskunde, maar het speelt op alle vakgebieden. In de voorbereiding op de laatste Women's Health Course (een jaarlijks wetenschappelijk congres in Rotterdam dat ook georganiseerd wordt door Roeters van Lennep)  zijn systematische interviews gevoerd met 17 verschillende zorgverleners over het thema seks en gender in de spreekkamer. Niet iedereen komt gelijk met herkenning, maar bij doorvragen heeft elke specialist wel meerdere voorbeelden. Zo zijn de knieën van mannen en vrouwen anders, dat is bekend, maar nu er steeds meer vrouwen gaan voetballen zie je toch een heel ander soort knieblessures dan vroeger. De MDLarts merkte op dat colonoscopie van de  darmen van vrouwen door de soepelere banden in de buik lastiger en daardoor riskanter is dan bij mannen. En vrouwen presenteren zich heel anders met tinnitus dan mannen, kwam bij de kno naar voren. Er is veel impliciete kennis, gebaseerd op ervaring, maar wat ga je ermee doen?

Jeanine benadrukt het belang van mainstreaming van genderonderwijs in het gehele curriculum. Het zou een automatiscme moeten zijn om na te denken of en van belang is of er een man of vrouw tegenover je zit. Samen met Antoinette Maassen van de Brink, een preclinicus, zijn we nu het curriculum geneeskunde in Rotterdam aan het doornemen op genderthema's want we willen geen apart curriculum. Ze hebben het tij mee. Er is een Aliantie Gender en Gezondheid, de minister heeft een motie aangenomen voor het implementeren van genderspecifieke kennis in het onderwijs, ZonMW heeft een aparte kennisagenda voor dit thema en ook internationaal gebeurt er veel, zowel in onderzoek als bij voorbeeld in de regelgeving rond het goedkeuren van medicatie. Jeanine noemt drie thema's die de komende tijd belangrijk zijn. Ten eerste, in de wetenschap zou je je van begin af aan bij een onderzoeksdesign moeten afvragen of gender een rol speelt en zo ja, welk mechanisme daarop van invloed is. Niet pas achteraf het verschil tussen man en vrouw opnemen zoals nu vaak gebeurt. Als tweede geeft ze aan dat we nog veel te weinig weten of wat bij mannen werkt ook bij vrouwen werkt en wat niet.

Dat geldt ook voor leefstijl. Jeanine heeft veel ervaring met leefstijlverandering en ze geeft aan dat er duidelijke verschillen zijn tussen mannen en vrouwen.” Vrouwen doen in het algemeen veel beter mee dan mannen. Misschien praten we wel te veel en praten werkt voor mannen minder. Zo is er een nieuw leefstijfprogramma (Footballfans in training) waar mannen gaan trainen in voetbalstadions met een competitie element, en deze groep mannen lijkt het beter vol te houden. Ook zijn er veel verschillen in pijnmanagement en gedrag en gender. Ten derde is het ook interessant te kijken naar de invloed van je eigen sekse en je eigen perspectief.  Een man zal minder snel met een vrouwelijke arts praten over erectiele dysfunctie en een vrouw haar menstruatiestoornissen bij een mannelijke arts minder snel naar voren brengen. Dat is bekend, en dat moet je je realiseren, dan kun je er iets mee doen. Misschien maakt het soms ook niet uit, maar we krijgen straks veel meer vrouwelijke artsen en heeft dat invloed op de mannelijke patient?

We weten dat mannen en vrouwen anders communiceren en bijvoorbeeld hun vage klachten anders brengen. Ik heb geen betrouwbare analyse, maar vage klachten zie je meer bij vrouwen. Misschien uiten mannen ze anders en komen ze minder bij de dokter terecht?” Ze verwijst naar een presentatie van een psychiater, recent in de Women's week. “Hij zei 'men are bad and women are mad'. Mannen uiten zich vaker in accidentprone gedrag en vrouwen komen sneller bij een psychiater terecht bij problemen. Zo is er onderzoek gedaan naar scheiden en het blijkt dat angststoornissen bij vrouwen vaak meer geaccepteerd worden door de partner dan wanneer de mannelijke partner een angststoornis heeft. Hypomanie wordt bij vrouwen eerder als ziekelijk beschouwd dan bij mannen, waardoor vrouwen hiermee vaker in het medische circuit komen.” Zo is er nog veel meer dat we weten en niet weten, en Jeanine benadrukt dat we deze aspecten serieus moeten nemen, want het gaat uiteindelijk om het steeds blijven verbeteren van de zorg.

"Ik denk dat er veel dingen logisch zijn, dat we denken dat we het wel weten, maar als je het gaat opzoeken blijkt er nooit onderzoek gedaan te zijn. Eigenlijk zou je willen weten of dat wel klopt en ze pleit ervoor om meer te investeren in toegepaste wetenschap. Dat is minder fancy en er wordt vaak op neergekeken, maar het kan voor de praktijk erg belangrijk zijn." Ze noemt een dilemma uit de praktijk. Mensen met FH moeten statines slikken, maar tijdens de zwangerschap en borstvoeding mogen geen statines worden gegeven. Je ziet dat vrouwen erg bang zijn voor de risico's en vaak geen borstvoeding geven om maar zo snel mogelijk weer statines te nemen. We weten nu niet of het uiteindelijk toch beter is voor de vrouw om statines door te slikken met het oog op haar risico's . Misschien is het toch niet zo gevaarlijk voor het kind, zoals nu ook bij ssri blijkt. Vrouwen willen dit weten maar wij weten het niet. 

Gezin en carrière 
Roeters van Lennep studeerde in Leiden en promoveerde op het proefschrift Gender and cardiovascular disease risk factors in diagnosis and treatment. Nadat zij al eerder onderzoek gedaan had op de data base van haar vader, cardioloog in Zeeland, naar het zogenaamde Yentl effect (het maakt uit of je een man of vrouw bent hoe je wordt behandeld, naar de film Yentl) kwam zij tot de conclusie dat er geen Yentl effect was in bijvoorbeeld het percentage nucleaire scans dat bij mannen of vrouwen werd gedaan. Het thema gender is haar wel altijd blijven boeien en tijdens haar assistentschap werden FH en preeclampsie haar specialiteit. Eenmaal in Rotterdam als cardiovasculair internist benaderde ze gelijk de gynaecologen en was de preeclampsie poli binnen een half jaar een feit. Nu verdeelt ze haar werk over de poli's, onderzoek, het begeleiden van promovendi en onderwijs.   

Jeanine is gelukkig in haar werk en dat straalt ze ook uit. Daarnaast is ze ook heel gelukkig met haar gezin. Ze heeft twee kinderen van 7 en 8 jaar. Haar man is cardioloog. Ze werken allebei fulltime, maar ze heeft haar kinderen altijd zelf willen opvoeden en dus heeft ze een heel netwerk van oppas en opvang en mensen in de buurt in dezelfde situatie die elkaar helpen. Natuurlijk moet ze ook keuzes maken. Zo gaat de orthodontist voor en kiest ze ervoor vaker een dag naar een meerdaags congres te gaan dan een keer naar een groot congres. Verder is het een kwestie van efficiënt werken en zo strak mogelijk plannen. Een goede basis dus om haar verdere ambities te realiseren. Jeanine wil zeker verder gaan op dit gebied en wil zich vooral inzetten dat hetgeen wordt bedacht ook wordt geïmplementeerd. We weten het maar we moeten het ook gaan doen om goede zorg te kunnen geven aan mannen en vrouwen. De CHP prijs geeft hiervoor een belangrijke impuls en Jeanine hoopt dat ze andere mensen kan inspireren om hetzelfde te doen. En inspireren kan ze. 

Interview door Sylvia Buis

 

 

Lees meer...

Rolmodel SophieInternist-ouderengeneeskunde & klinisch geriater te Groningen, hoofd van het Universitair Centrum Ouderengeneeskunde UMCG, afdeling Interne Geneeskunde UMCG, en voorzitter van de Nederlandse Internisten Vereniging [NIV].sejaderooij@gmail.com of @sophiaderooij(twitter)

Getrouwd, moeder van dochter van [bijna] 16 jaar. Geboren en getogen in Brabant, ben ik op mijn 18e geneeskunde gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Dit was mijn eerste keuze en ik weet nog hoe blij ik was dat ik ook echt aan de slag mocht.
Ik ben altijd al geïnteresseerd geweest in veroudering en de enorme variatie waarmee het ouder worden gepaard gaat. In mijn 2e studiejaar ben ik onderzoek gaan doen naar het voorkomen van vitamine B12 deficiëntie bij ouderen in het Slotervaartziekenhuis, op dat moment had alleen het Slotervaartziekenhuis een afdeling Geriatrie. Naast mijn onderzoek werkte ik als bloedafname assistent bij de Bloedbank, het latere Sanguin, als avondhulp in een verzorgingshuis en als weekendreceptioniste & secretaresse voor uitzendbureaus. In de wachttijd voor mijn coschappen heb ik een jaar onderzoek gedaan bij de geheugenpolikliniek in het AMC. Voor dit onderzoek reisde ik heel Nederland door, het was de eerste kliniek op dit gebied en ik bezocht de patiënten thuis voor een follow up bezoek. Na mijn coschappen ben ik in opleiding gekomen tot klinisch geriater. Tijdens de opleiding bemerkte ik dat ik vooral erg geïnteresseerd was in veranderingen ten gevolge van acute ziekte en in het bijzonder in acute verwardheid, delirium. Omdat in de opleiding tot internist de acute geneeskunde en intensive care geneeskunde meer aan bod kwam, ben ik nadat ik klinisch geriater was geworden, meteen doorgestroomd in de opleiding tot internist, dit was in het AMC. Nadat ik internist was geworden, ben ik begonnen met mijn promotieonderzoek naar acute ziekte bij ouderen en de effecten hiervan op gezond en ongezond verouderen. Tegelijkertijd kreeg ik de kans op het AMC de afdeling geriatrie op te richten. Dit was een interessante en drukke tijd. In 2007 investeerde VWS en ZonMw in het Nationaal Programma Ouderenzorg. Mij werd gevraagd of ik het ouderennetwerk in de Opleidings- en Onderwijs Regio [OOR] van het AMC wilde gaan opzetten en ‘trekken’. Zo werd ik naast dokter was, ook netwerk-coördinator. Dit was een zo niet nog drukkere periode waarin ik ongelofelijk veel geleerd heb en heel veel betrokken mensen heb leren kennen die de ouderenzorg een warm hart toedragen. We hebben met elkaar en samen met de ouderen zelf voor het Nationaal Programma Ouderenzorg in totaal 11 projecten uitgevoerd, waarvan de Transmurale Zorgbrug de bekendste is, inmiddels wordt dit project in 25 Nederlandse ziekenhuizen samen met nog meer thuiszorg organisaties uitgevoerd.

Mijn grootste arbeidsvreugde ligt, zo heb ik inmiddels wel ontdekt, in het verbinden van de wetenschap met de zorgpraktijk. Dit is de manier om zowel voor de individuele patiënt als voor de groep ouderen op effectieve manier zorgverbeteringen te realiseren. Veel uitdagingen op mijn pad lijken haast toevallig tot stand te zijn gekomen, ontmoetingen mondden vaak uit in samenwerkingen en nieuwe projecten, soms jaren later. Ook nu ik in Groningen werk, kom ik weer ‘oude’ bekenden tegen. Ook mag ik weer proberen verbindingen te leggen en met vereende krachten zijn we bijvoorbeeld een nieuw zorgprogramma aan het opstarten, het Hospital @ Home zorg programma. Kwetsbare ouderen met een acute ziekte kunnen een ziekenhuiszorgthuis-programma volgen door inzet en samenwerking van huisarts, ziekenhuis en wijkverpleegkundigen.

Daarnaast probeer ik als voorzitter van de NIV de denkkracht en innovatiekracht van onze vereniging over te dragen en de belangen van de internisten en de patiënten die een internist bezoeken te behartigen. De internist is in mijn ogen een T-shaped professional: hij/zij heeft een brede basis als generalist en met de specialistische kennis aan boord, raken we veel facetten in de gezondheidszorg.

Ofschoon alle bestaande en nieuwe uitdagende plannen veel tijd kosten, wil ik uiteraard ook goed mijn best doen om ook de verbinding met het thuisfront te bewaken en ook wat tijd te nemen voor ontspanning. De balans tussen werk en privé loopt al te vaak gemakkelijk door elkaar heen. Het is geen knopje dat zich eenvoudig om laat zetten. Ik vind het heerlijk om in gezelschap lange wandelingen te maken, te lezen, af en toe eens in mijn kano te zitten [en te varen] en te koken. Als ik dit zo opschrijf, bedenk ik me dat het hoognodig weer eens tijd wordt hiervoor. Wat dat betreft leer ik veel van mijn patiënten. Laatst zei een van hen me: ‘dokter, het hele leven is leren, en weet je eindelijk hoe het zit, dan zit je in het laatste stukje.’ Gelukkig was dit met een vette knipoog, maar het raakt wel de kern. De grilligheid van veroudering, het ontrafelen van haar mechanismes en het soms met een klein gebaar een grote bijdrage aan iemand positieve gezondheid kunnen leveren, maakt mijn werk tot op de dag van vandaag heel boeiend. Ik hoop nog lang dit werk te kunnen en mogen doen.

Lees meer...

 

Sietske Rozie 2Terwijl ik dit schrijf ontvang ik een tweet van een goede kennis over The Next Women Innovation Summit 2015 die vandaag plaatsvond in Amsterdam. Ze tweet dat ze de lessen die Neelie Kroes daar verkondigde bij mij vindt passen. De lessen zijn: Wees niet bescheiden | Neem risico | Van je fouten leer je meer dan van succes. Ik moet toegeven, die quotes passen inderdaad bij mij.

Na het VWO begon ik mijn studie geneeskunde in Leuven omdat ik was uitgeloot, maar toch dokter wilde worden. Na 3 jaar studie in Leuven (ja, ik haalde mijn examens daar!) stapte in over naar Utrecht toen ik alsnog werd ingeloot. Mijn 3 jaar studietijd in Leuven is een leerzame periode geweest, een hel en hemel tegelijk. Vreselijk ouderwets studiesysteem en het eerste jaar bestond uit vakken die je verwacht bij de studie biologie en natuurkunde maar niet bij geneeskunde. De Belgische hiërarchie van toen vond ik ook behoorlijk overdreven. De tijd die ik met mijn medestudenten had was geweldig, Nederlanders zaten in hetzelfde schuitje. Er bestaat zoiets als een ongeschreven “Leuven-code”; artsen in Nederland die een paar jaar in Leuven hebben gestudeerd en met name degene die daar van de vereniging lid zijn geweest helpen elkaar.

In Utrecht kon ik met vrijstellingen en versnellingen mijn studie afronden. Wachttijd voor mijn coschappen had ik niet, ik had een contract met de faculteit wat betekende dat ik wachtgeld kreeg als zij mij niet op de afgesproken datum lieten starten met mijn coschappen. Daarna startte ik als arts-assistent chirurgie in het Amphia ziekenhuis in Breda. Ik kwam dagelijks op de afdeling radiologie, als ik een spoed echo of CT wilde aanvragen voor een van de patiënten op mijn afdeling, dan ging ik langs bij de radiologen. Hun werk ging mij steeds meer fascineren. Zij werkten samen en overlegden veel met elkaar. Ik solliciteerde in het Erasmus MC en begon daar aan mijn promotieonderzoek op de afdeling Radiologie.

Tijdens mijn 4 jaar als onderzoeker heb ik voor het eerst een dagboek bijgehouden. Daaruit concludeerde ik in 2010 twee dingen: 1. ik werd een PhD-drop-out en 2. ik moest weg uit het huwelijk waar ik in zat. In 2010 begon ik mijn opleiding tot radioloog in het AMC en ik lag dus in scheiding. Vrij pittig begin van je opleiding kun je wel stellen. Eind 2011 kregen mijn vriend en ik een tweeling en daarna vervolgde ik mijn opleiding in het OLVG. Daar stortte ik me in een aantal nevenactiviteiten en stelde ik me daarbij niet bescheiden op, nam ik risico’s en paste ik toe wat ik van mijn fouten had geleerd. Ik verbaasde me bijvoorbeeld over het feit dat er competentieonderwijs georganiseerd werd voor aios zonder de aios te vragen naar hun behoeften. Het heeft me tijd gekost om de medewerkers van het leerhuis/teaching hospital duidelijk te maken dat aios van nu breder opgeleid willen en moeten worden. Je wordt namelijk medisch specialist en dat is meer dan gynaecoloog, kinderarts of cardioloog.

Van fouten leren: Ja! Maar met name: ruim je rotzooi op (goede quote uit een presentatie van Machteld Huber vorig jaar bij het Platform Medisch Leiderschap). De best bestede euro’s ooit waren aan psychotherapie aan het eind van mijn studie, echt een cadeau was dat achteraf, maar tijdens dat proces niet: het wordt eerst flink vervelend voordat het leuker wordt. Vreemd eigenlijk dat er tijdens je opleiding tot specialist nooit iemand aan je vraagt: ”gaat het?” als je net iets heftigs hebt meegemaakt tijdens het werken als aios. Het is natuurlijk ook schokkend dat een groot deel van de coassistenten burn-out symptomen ervaren. Laat staan de aios of de medisch specialisten.

Wat betreft vrouwelijke artsen en de VNVA: zoals Madeleine Albright zei (en ik ben niet gelovig!): “There is a special place in hell for women who don't help other women”. Daarnaast is het zo dat vrouwen te bescheiden zijn, zoals Neelie Kroes ook aangeeft. Een interessant voorbeeld vind ik altijd dat mannen solliciteren op een functie als ze voldoen aan ongeveer 50% van de functie-eisen, terwijl vrouwen pas solliciteren als ze voldoen aan bijna 100% van die eisen.

Voortdurend geprikkeld blijven en uitgedaagd worden, dat is mijn voornemen op het gebied van carrière. Dan moet je wel het gezinsleven goed organiseren. Mijn vriend is ook radioloog en staat op een kruispunt in zijn carrière. Ik heb een aantal vakinhoudelijke nevenactiviteiten en dat alles bij elkaar moet goed gepland worden. Mijn nevenactiviteiten die gaan over innovatie in de zorg, social media, opleiden, medisch leiderschap. Verbonden zijn met de toekomstige dokters en medisch specialisten vind ik minstens zo belangrijk als verbonden zijn met de zittende groep. En natuurlijk denk ik weleens: ”welke dag is het vandaag eigenlijk? Of: heb ik nou wel of niet een verhaaltje in het schriftje van de crèche geschreven? En inderdaad maak ik veel te weinig tijd om te sporten of om uitgebreid met vriendinnen te bellen of borrelen. Maar aan schuldige moeders hebben we in de gezondheidszorg niet veel, het is een kwestie van keuzes maken en concessies doen, met daarbij van tijd tot tijd naar jezelf kijken en je afvragen of je nog gelukkig wordt van waar je mee bezig bent.

 

 

 

 

Lees meer...

 IMG 8288 boek angele van der ven
Op de foto v.l.n.r. Lodewijk Schmit Jongbloed, Gerda Zeeman, Marith Rebel, Angèle van de Ven.
HEEL de dokter – leven en werken met zin 
Angèle van de Ven heeft sinds 2000 haar eigen adviesbureau en richt zich op het moment vooral op het coachen van individuele artsen en het begeleiden van groepen (intervisies, huisartsenopleiding) en gaat een paar keer per jaar met een groep huisartsen op stap naar Griekenland in het kader van ‘Zin in Huisartenzorg’ (www.zininhuisartsenzorg.nl). Recent is het boek ‘HEEL de dokter’ verschenen dat zij samen met Lodewijk Schmit Jongbloed schreef over loopbaan en de mens achter de arts dat uitdaagt tot reflectie op jezelf en je vak (www.heeldedokter.nl).  Het boek was in de eerste week door de vele bestellingen tijdelijk uitverkocht maar de voorraad is inmiddels weer aangevuld, dus weer volop leverbaar.

Dit geeft wel aan dat er behoefte is om over het vak na te denken en dat is veel VNVA leden niet vreemd. Hieronder vertelt Angèle meer over haar werk en haar inspiratie. 
   

 1. Waarom ben je als niet-arts zo geïnteresseerd in artsen? Hoe is jouw carrière daarin verlopen?
Leuk dat je dat vraagt. In ‘HEEL de dokter’ staat hierover: 'min of meer toevallige gebeurtenissen, ontmoetingen en keuzes bepalen de richting en kleur van je loopbaanpad'. Daar ben ik zelf wel een voorbeeld van. Vanuit mijn interesse voor 'een leven lang leren' studeerde ik bedrijfscommunicatie en -opleidingen, gericht op hoe volwassenen beroepsmatig in ontwikkeling blijven. Als 24-jarige begon ik met die kennis fris en groen in de functie van FTO-adviseur, waarbij ik het farmacotherapie-overleg tussen huisartsen en apothekers procesmatig begeleidde. Inmiddels, wat afslagen, keuzemomenten en ruim 20 jaar verder kan ik lezen en schrijven met dokters. Bij het coachen van teams, in (inter)visiebijenkomsten en individuele loopbaangesprekken hoor ik wat artsen bezig houdt, drijft, uitdaagt én verder helpt. Die verhalen breder toegankelijk maken voor de hele beroepsgroep artsen, is mijn motivatie geweest voor 'HEEL de dokter - leven en werken met zin'.

 2. Wat vind jij op het moment de grootste uitdaging voor artsen?
Ruimte blijven maken voor de menselijke maat in de zorg, voor wezenlijke aandacht als onmisbaar aspect van kwalitatief goede zorg. Gericht op patiëntenzorg, maar niet ten koste van de dokter. Het is belangrijk dat de menselijke maat ook voor de dokter zelf geldt. Dat is een mes dat aan twee kanten snijdt: voor een kwalitatief goede zorg zijn gemotiveerde, betrokken artsen essentieel. Zo'n arts maakt minder fouten, verzet meer werk, is minder vaak ziek en gaat later met pensioen. Patiënten hebben meer vertrouwen in deze artsen: ze volgen hun medicatievoorschriften en adviezen over lichaamsbeweging of voeding beter op.

Van oudsher lijkt het adagium dat goede dokters vooral doorgaan, veerkrachtig zijn, zichzelf -vaak zelfs voor lange tijd- opzij zetten. Tegenwoordig is er gelukkig steeds meer aandacht voor de valkuil daarvan. Immers: stress en burn-out blijkt ook al jaren een thema dat niet weggaat. Een in te schatten risico, zou je zeggen. En als je dat weet is het dus zaak om vinger aan de pols te houden. Dat kun je zelf doen, maar ook samen in je team en liefst gesteund vanuit de organisatie. Al tijdens de opleiding zou hier aandacht voor moeten zijn. In Nijmegen geef ik aan de VOHA (huisartsopleiding) een vierdaagse training waarin aios reflectievaardigheden en de basis van coaching aanleren. Zo leren ze zichzelf beter leren kennen en ontdekken ze hoe ze elkaar kunnen steunen en begeleiden bij professionele groei.  Gaandeweg je loopbaan blijft ‘t natuurlijk wel zaak daar zelf tijd en aandacht voor vrij te blijven maken (vandaar ook het boekje).

  

Lees meer...

Joyce Browne2Interview met arts-onderzoeker Joyce Browne die promotieonderzoek doet naar hypertensieve aandoeningen in de zwangerschap in Ghana
door Clara Peters

Ik heb begrepen dat je een versnelde medische opleiding (SUMMA) hebt gedaan na een andere bachelor. Kun je daar wat meer over vertellen?
Voor ik begonnen ben met SUMMA heb ik eerst een bachelor aan University College Utrecht gevolgd, en een master Sociale Epidemiologie aan University College London in Engeland. De keuze voor UCU was een keuze voor een brede basis: ik was geïnteresseerd in sociaal wetenschappelijke en biomedische vakken die ze daar aanboden. Daarnaast sprak de opzet van kleinschalig Engelstalig onderwijs met een hoog ambitieniveau van studenten en opleiding me aan. In het tweede jaar van UCU merkte ik dat ik de “premed” vakken het leukste vond, en kwam SUMMA op mijn radar. Door deze route, van UCU tot en met SUMMA ben ik in aanraking gekomen met een brede visie op gezondheid: van populatieniveau tot individueel patiënt-niveau, van preventie tot curatief, van lokaal tot internationaal, en van biomedisch tot sociaal-epidemiologisch.

Je belangstellingsgebied ligt als ik het goed begrijp vnl. op het gebied van global health, je doet onderzoek op het gebied van zwangerschap/bevalling en moeder/kindzorg. Hoe is de belangstelling hiervoor ontstaan? Universiteit? Rolmodel of enthousiaste docent ? Eigen ervaringen eerder?

Klopt, mijn onderzoek focust zich op maternal health. Ik denk dat deze interesse is ontstaan uit enerzijds de grote urgentie en anderzijds uit het feit dat er iets aan gedaan kan worden. Er sterven elk jaar nog steeds bijna 300.000 vrouwen en de morbiditeit is nog veel hoger. De consequenties zijn niet alleen dramatisch voor de vrouw zelf, ook familie en samenlevingen worden ontwricht door het wegvallen van een moeder. Wist je bijvoorbeeld dat de kans op sterfte voor andere kinderen in het gezin ook sterker stijgt na het overlijden van hun moeder? Opvallend is dat dit patroon minder wordt gezien bij het overlijden van een vader, hoewel ik nooit zal beweren dat een vader niet belangrijk in een gezin is.

De meeste van deze vrouwen sterven in de lage- en midden inkomens landen, oftewel ontwikkelingslanden. Dit geeft ook meteen aan dat er iets aan gedaan kan worden: als er in een land met een goede zorgstructuur veel minder vrouwen elk jaar sterven, dan is het blijkbaar iets dat voorkomen kan worden.

Heeft dit ook nog met je- culturele-achtergrond te maken?

Mogelijk. Ik ben geboren en opgegroeid in Nederland, maar als kind heb ik veel gereisd. Mijn opa en oma woonden op St. Vincent and the Grenadines, een klein eiland in het Caraibisch gebied, en daar waren we om de zomer. Ook waren we in verband met mijn vaders werk regelmatig in het buitenland. Hierdoor ben ik van jongs af aan in aanraking gekomen met verschillende culturen

Ik las je blog(*zie www. Facesofscience.nl CP) over het onderzoek om fluxus na de bevalling zoveel mogelijk te voorkomen, vooral of dit even goed zou kunnen gebeuren door de moeder zelf, als deze goed geïnstrueerd is, dan door een skilled birth attendant. Kun je daar wat meer over vertellen?

Dit onderzoek vindt plaats in Korle Bu Teaching Hospital in Accra, Ghana. Om fluxus te voorkomen is er een stappenplan om de derde fase van de baring actief te begeleiden, waar de eerste en meest belangrijke stap oxytocine toediening is (of misoprostol in de afwezigheid van oxytocine). De laatste stap is het controleren van de uterus contractie elke 15 minuten de eerste twee uur postpartum. Door de WHO wordt geadviseerd dat dit gebeurt door skilled health professionals. Echter, omdat er te weinig verloskundigen zijn in Korle Bu wordt dit door patiënten op de afdeling zelf gedaan, nadat ze eerst een training hierover hebben gehad tijdens de zwangerschap. In een gerandomiseerde klinische studie evalueren we of dit even goed gaat als wanneer de verloskundige dit doet.

Dit onderzoek is pas een eerste stap om te weten of het veilig is om het door vrouwen zelf te laten doen. In de toekomst zou ik het graag willen uitbreiden om te onderzoeken of het ook in primary care ziekenhuizen zou kunnen, hoe vaak er gecontroleerd zou moeten worden, hoe de training geoptimaliseerd kan worden, etc.

Wat is je toekomstperspectief? Wil je onderzoek en medische praktijk combineren en heb je daar voor jezelf een beeld van?

Dit is een vraag die me steeds meer bezighoudt: ik heb nog ongeveer 1.5 jaar promotieonderzoek voor de boeg. Daarna zal ik een keuze moeten maken of ik de kliniek weer in wil, bijvoorbeeld richting gynaecologie, of ik in de wetenschap wil blijven, of juist meer de beleidskant op wil gaan. Op dit moment spreekt een combinatie van kliniek en wetenschap me het meeste aan.

Heb je tijdens je coschappen/onderzoeksperiodes m.n. in het buitenland ook te maken gehad met ongewenste zwangerschap/ (onveilige) abortus? Kun je daar wat meer over vertellen?

Mijn allereerste onderzoek in een Afrikaans land was in 2009 in Sierra Leone. Hier heb ik gekeken naar de reproductieve gezondheid en toegang tot de gezondheidszorg van vrouwen met en zonder een beperking. Door de burgeroorlog in Sierra Leone (amputaties, polio vaccinatie onderbreking, disfunctionerende gezondheidszorg, psychologische gevolgen) zijn er relatief veel mensen met een beperking. Wij vonden een prevalentie van ongeveer 17%. Toegang tot goede zorg, en met name reproductieve zorg, was vrij slecht in Sierra Leone en geschat wordt dat bijna 30% van alle vrouwen die contraceptie wil hier geen toegang toe heeft. In ons onderzoek vonden we dat bijna 70% van de vrouwen geen contraceptie gebruikte, terwijl de meerderheid niet nog een kind wilde. Opvallend genoeg was dit gelijk voor alle vrouwen, en niet zoals we verwachtten slechter voor vrouwen met een beperking.

Overigens is het belangrijk om je te realiseren wat voor effect de Ebola uitbraak in Sierra Leone heeft op de gezondheid van vrouwen. Als er nu een onderzoek gedaan zou worden naar de reproductieve gezondheid van vrouwen zou het belabberd zijn: het gezondheidsstelsel is ontwricht, veel gezondheidswerkers zijn overleden, en de zorg voor vrouwen (zowel in de zwangerschap maar ook de contraceptie zorg en abortuszorg) is verslechterd. Het is al te zien aan de mortaliteitscijfers: Sierra Leone had al een van de hoogste moedersterfte cijfers, en dat is het afgelopen jaar weer gestegen.

 

 

 

Lees meer...

Annet Wind 2011 klHuisarts te Hoorn, kaderhuisarts ouderengeneeskunde, afdeling Public Health en Eerstelijns Geneeskunde LUMC, bestuurslid Laego. A.W.Wind@lumc.nl of @WindAnnet (twitter)

Het mooie van ouder worden voor mij (54 jaar) is dat je steviger in je schoenen staat. Je weet beter wat je wilt en kunt, waar je van geniet, wat je ontspant, welke uitdagingen goed voor je zijn en waar de grenzen liggen. Want niet alles wat leuk of interessant is moet je doen, want “teveel” is helemaal niet meer leuk. Een focus helpt.

Na de studie geneeskunde aan de VU in Amsterdam werd ik promovendus bij een dementieonderzoek in Amsterdam. Leuk om me te verdiepen in een onderwerp, met de onderzoeksvragen en data te stoeien en om bij oude mensen thuis over de vloer te komen. Na mijn promotie in 1994 ben ik huisarts geworden en heb ik me gevestigd in een duopraktijk in Hoorn. Dementie bleef boeien en ik nam deel aan verschillende inhoudelijke commissies van het NHG, CBO en de gezondheidsraad. In 2006 ben ik bij de afdeling huisartsgeneeskunde in Leiden gaan werken, om de NHG-kaderopleiding Ouderengeneeskunde op te zetten. Inmiddels hebben we meer dan 100 kaderhuisartsen ouderengeneeskunde opgeleid. Ik geniet ervan om huisartsen met ambitie te zien groeien en vanuit hun regiofunctie te zien bijdragen aan de eerstelijns ouderengeneeskunde. Ik zie echter ook dat vrouwen de neiging hebben om zichzelf in de weg zitten: die eeuwige onzekerheid (“kan ik dat wel?” “wat als ik …?”), gecombineerd met een hoog streefniveau. Ik geef ze graag een zetje.

Een valkuil van mij is “teveel” willen en doen: naast praktijk (2 dgn) en afdeling (3 dgn) ook regiowerk, commissies, bestuurswerk, schrijven, beoordelingen. Het lukt redelijk om de grenzen te bewaken en focus aan te brengen. Daarin word ik gesteund door de groep vrouwen met wie ik 20 jaar geleden de ‘kadertraining’ van de VNVA van Ina Vader hebt gevolgd. We zien elkaar nog steeds elk half jaar en dat is altijd een verrijkend reflectiemoment.

Ook heb ik moeite met fouten. Een medische fout blijft knagen, soms wekenlang. Ik probeer het te accepteren, maar eigenlijk wil ik gewoon geen fouten maken… Ik heb heel veel gehad aan een cursus mindfulness: minder stressen, meer genieten, accepteren dat dingen anders gaan dan jij wilt. Ik realiseer me heel goed dat ik veel dingen kan doen, omdat ik een steunende partner heb, dochters die zich goed ontwikkelen, stimulerende vrienden en familie. Ik heb een lijf dat niet altijd meewerkt en ook dat is een gegeven. Het helpt om goed voor mezelf te zorgen en te ontspannen door muziek, zingen, sporten. Zelfdiscipline is een groot goed, maar ook daarvoor geldt: overdaad schaadt.

Lees meer...

Willy Jansen kl“Je moet altijd weer je stem laten horen”, dat zegt Willy Jansen, 87 jaar en al 25 jaar met pensioen. En nog steeds laat ze die horen. “Houd oog voor de persoonlijke contacten binnen de VNVA” was de belangrijkste boodschap die ze ons mee gaf bij het gesprek dat we met haar hadden in haar mooie appartement in het Groningse Paterswolde.

Willy is lid vanaf 1954, dus haar 60-jarig jubileum bij de VNVA is al achter de rug. Ze werd lid toen ze na haar coschappen in diverse ziekenhuizen afgestudeerd was in Utrecht en als algemeen arts werkte in Schiedam. In die tijd deed je als assistent van alles: interne, chirurgie, verloskunde, kindergeneeskunde, noem maar op. Ze wilde eigenlijk internist worden. Maar om als vrouw in opleiding te komen, dat viel niet mee. Soms waren er 70 sollicitanten voor één functie, en er werd toch altijd voor een man gekozen. Vrouwen werden gezien als risico omdat die toch uiteindelijk een gezin wilden stichten.
Het was hard werken in de jaren vijftig, anderhalve dag per 14 dagen vrij, om het andere weekend dienst. Pas toen er een tweede assistent werd aangesteld kwam er wat meer tijd. Dankzij het feit dat de internist zijn eigen praktijk aan huis had werd het poliklinische werk steeds zelfstandiger en tenslotte gehonoreerd met 1 jaar opleiding voor de interne.

Na vijf jaar algemeen assistentschap kon ze voor twee jaar opleiding naar Curaçao. En toen ze de kans kreeg om bij professor Mandema in Groningen haar specialisatie af te maken, toog ze in 1961 naar het noorden en was in 1963 klaar als internist. Ze wilde niet promoveren omdat ze liever tijd wilde steken in sociale contacten, nadat ze had gezien hoe zwaar het was voor een collega destijds. Door prof. Mandema werd dat geaccepteerd en ze heeft nog nooit een moment spijt gehad.

“Toen ik lid werd bestond de VNVA vooral uit, in mijn ogen, bezadigde dames. In de oprichtingstijd en in de na-oorlogse periode waren er natuurlijk wel uiterst actieve pioniers”. Namen die nu nog aan een fonds of prijs zijn verbonden zoals Hilly de Roever en Henny Verhagen, mogen volgens Willy niet vergeten worden. In het algemeen vindt Willy de vrouwelijke artsen in de loop van de tijd mondiger geworden, bijvoorbeeld in wetenschappelijke verenigingen en politiek. “Toen ik in Groningen kwam bestond de VNVA Noord-Nederland tien jaar”. Willy sloot zich aan en kwam al vrij snel in het bestuur terecht. In de jaren daarna werd Willy de vaste vertegenwoordiger naar de landelijke VNVA bestuursvergaderingen. Ze heeft dit wel vijftien jaar gedaan, wat niet altijd meeviel, op vrijdag aan het eind van de middag racen naar het station en dan ’s avonds laat rond twaalf uur pas weer terug. Door de jaren heen werd toen ook al regelmatig de vraag gesteld: “Is het nog wel zinvol dat we er zijn?”. Het antwoord was steeds weer “Ja”.

Wat is nu jouw advies aan ons, vroegen wij: “Probeer niet de mannen te imiteren, jezelf blijven als vrouw is wat ik bij de VNVA heb geleerd. En laat je stem horen”. Willy liet (en laat nog steeds) geen gelegenheid voorbijgaan om te participeren. Zo heeft ze in veel commissies en besturen gezeten. In het bestuur van de Interne Kliniek, in diverse medische commissies in het ziekenhuis of commissies betreffende het onderwijscurriculum. Ook zat Willy in het bestuur van het Rode Kruis, in de Medische Adviesraad van Stomavereniging Harry Bacon en in de financiële commissie van de Artsen Onderlinge.

Op afstand houd ze haar vak nog een beetje bij, “als je eenmaal dokter bent, dan blijf je dat je hele leven”. Ze is wel eens verbaasd over de vluchtigheid waarmee veel dingen nu gebeuren, ook bij huisartsen. Er is weinig tijd en aandacht, maximaal met één klacht tegelijk komen, er verandert veel. Ook al constateert ze dat ze elk jaar toch een stukje fysieke energie inlevert, zien wij bij activiteiten die we vanuit de VNVA organiseren Willy Jansen nog vaak als een trouwe deelnemer, sociaal, geïnteresseerd en alert.
Ook in de serviceflat met vele appartementen is Willy actief, ze is penningmeester van de recreatiecommissie en organiseert regelmatig lezingen of excursies, en omdat er geen opvolger was voor de voorzitter doet ze sinds kort het voorzitterschap er gewoon bij.

Door: Foske Padje en Greet Meihuizen

 

 

Lees meer...

image-2015-02-26 kleinInterview met Margret Alers door Sylvia Buis

Op 17 januari promoveerde Margret Alers aan het Radboud UMC op haar proefschrift Specialty preferences of medical students: gender and work-life balance. Voorafgaand aan haar promotie vond ook een invitational conference plaats (zie bovenstaand artikel) waarbij toch met zekere verbaasdheid werd gereageerd op de uitkomsten van het onderzoek waarover we in de vorige nieuwsbrief al berichtten. Uit het onderzoek onder studenten geneeskunde die gevolgd worden in verschillende fasen van hun studie blijkt dat vrouwelijk studenten vaker aangeven dat zij kiezen voor specialisaties waarin parttime werken mogelijk is zoals huisartsgeneeskunde, terwijl mannelijke studenten vaker de voorkeur geven aan specialisaties waarbij full-time werken de norm is zoals chirurgie. Vooral in het derde jaar wordt dit verschil duidelijk. Waarom deze verbazing? 
Margret: Wij hadden niet verwacht dat de keuze voor een specialisme bij vooral vrouwen al zo vroeg in de studie werd beïnvloed door de mogelijkheid om het werk parttime te doen of te combineren met een gezinsleven. Het lijkt of er te weinig wordt gekeken naar de eigen competenties en geschiktheid voor de inhoud van het vak, terwijl we in een parallel onderzoek in Zweden zien dat daar geen verschillen zijn tussen mannen en vrouwen in voorkeuren voor een specialisme. Het grote verschil is een verschil in logistiek en cultuur. In Zweden werken mannen en vrouwen werken bijna allemaal full time (vier dagen), en is de norm is dat professionele kinderopvang de beste zorg is voor een kind en het is betaalbaar en beschikbaar. In Nederland heerst nog steeds de norm dat je je kinderen zoveel mogelijk zelf moet opvoeden. En vrouwen voelen zich daar nog steeds meer verantwoordelijk voor dan mannen. Mannen willen ook wel parttime werken, maar richten zich vaak eerst op hun carrière. Ik vind het schokkend dat het anticiperen op werktijden vanaf het begin van hun studie van invloed is op hun specialisatiekeuze en dat we dit blijkbaar accepteren en de jongere generaties hierin lijken te berusten. Begrijp me goed, iedereen mag kiezen voor de specialisatie of werkbelasting die hij of zij wenst, maar de vraag is hoe gelijk die keuze is tussen mannen en vrouwen.

Waarom ben je met dit onderwerp aan de slag gegaan om te promoveren?  
Petra Verdonk promoveerde bij Toine Lagro en onderzocht in hoeverre sekseverschillen in het medisch onderwijs aandacht kregen (Gender Matters in Medical Education)", vertelt Margret die tijdens het traject zelf besefte dat zij ook haar voorkeur voor chirurgie had laten lopen en onder andere in de IT-sector is verder gegaan. Daardoor was er in het team Nederland/Zweden al nagedacht over de bredere context van dit onderwerp voor medische studenten en was er al een vragenlijst die onder meer vragen stelde over gendersensitiviteit onder mannelijke en vrouwelijke studenten en hun verwachtingen ten aan zien van artsen en patiënten op dit onderwerp. Maar in deze vragenlijst werden ook de toekomstige specialisatievoorkeuren, arbeidstijden en motivaties en werk-privé afwegingen gevraagd. Ik mocht dit als een promotieonderzoek inzetten.

Kun je de ontwikkeling van beroepskeuze tijdens de studententijd ook extrapoleren naar wat artsen vervolgens echt gaan doen? 
Wij kregen antwoorden van medisch studenten in het begin van hun studie, halverwege, en aan het einde na de coschappen. Die laatste groep was een meerjaren cohort van meer dan 1000 personen. Ook ondervroegen we eindejaars studenten in een kwalitatieve studie. We weten dus niet hoe deze afgestudeerden konden inloten of deelnamen in hun vervolgopleiding. 

Uit je onderzoek blijkt dat mannen geen interesse meer hebben voor gynaecologie. Heb je reacties gekregen van de NVOG?  
Ondanks het feit dat we alle belangenverenigingen van de specialisaties in de Domus Medica het proefschrift stuurden, ontvingen wij geen reacties. In het verleden bleek dat gynaecologen mannen waren.... dus het lijkt er op dat beide seksen deze specialisatie kunnen kiezen bij interesse hiervoor. Het zou fijn zijn als de inhoud van de specialisatie de hiervoor geïnteresseerde en geschikte personen kan aantrekken. Dat geldt voor alle specialisaties lijkt me en voor beide seksen!

Uit je onderzoek blijkt de mogelijkheid om parttime te werken een belangrijke factor. Zou je ernaar toe moeten dat parttime of fulltime werken niet relevant meer is en dat flexibiliteit de norm wordt? Parttime werken is bij artsen vaak fulltime vergeleken met andere beroepen. 
Het klopt dat parttime werken ook al bij fulltime is bij artsen!, geeft Margret toe.  Zolang onze werk-privé balans niet voorzien is met een stelsel als in Zweden, wat blijkt sekseverschillen in specialisatievoorkeuren en werktijden te ondervangen, zullen alle werknemers in het artsenvak inhoudsgestuurd en competentiegericht moeten overwegen hoe parttime en fulltime mogelijkheden in hun specialisme geregeld kunnen worden. Ik pleit er voor dat de specialisaties voor beide voorkeuren mogelijkheden in aanbieden.

En in vervolg hierop: wat is volgens jou het grootste probleem dat uit je onderzoek volgt? En wat zouden we hieraan kunnen doen? Zou de VNVA hierbij een rol kunnen spelen? 
Het blijft een pittige bevinding dat zoveel meer vrouwen, en de meeste nieuwe studenten zijn vrouw, invloed ondervinden in hun specialisatievoorkeur, niet door hun interesse voor de inhoud, maar gelieerd aan hun anticiperen op mogelijkheden in hun werk-privé balans. Het is echt belangrijk dat deze feiten bekend zijn, bij studenten vanaf het begin van hun studie en zeker ook bij de verschillende specialisaties. Het blijkt vanuit onze studie dat studenten inhoud van het vak boven alles stellen. En terecht! Maar toch blijkt er een oneigenlijke bepaler in het spel vooral van invloed op de carrière van vrouwelijke artsen.

Tijdens de Invitational Conference kwam naar voren dat er tijdens de studie te weinig aandacht is voor het herkennen van persoonlijke competenties en dat ook de kennis over de inhoud van het vak vaak ontbreekt. Zo zijn er bij chirurgie tegenwoordig wel parttime mogelijkheden en er zijn genoeg voorbeelden van vrouwen die de ambitie om chirurg te worden niet opgeven. Uit eerder onderzoek van Berber Pas is ook gebleken dat er heel veel kan als je dat wilt. Het is dus belangrijk om die gedrevenheid te ontwikkelen en te versterken. Aan de andere kant moet ambitie ook gefaciliteerd worden en ik vond het positief dat het Radboud UMC bij de nieuwe studenten ook kijkt naar competenties en zo anticipeert op wat nodig is in de toekomst bij specialisaties, bijvoorbeeld om voldoende artsen te verkrijgen die een geschikt profiel laten zien voor ouderengeneeskunde als vakgebied.
Het is heel fijn als er discussie over de feiten kan ontstaan en vandaaruit een mag ik hopen content en compententie driven keuze en mogelijkheden bij de specialisatiekeuze! Ik hoop dat de VNVA hierbij ook een rol kan spelen.

 

 

Lees meer...

Huisarts-epidemioloog en coördinator van de Peilstations van NIVEL Zorgregistraties eerste lijn

Ge DonkerToen ik op mijn 17e medicijnen ging studeren stond al snel vast dat ik na mijn studie een tijd als tropenarts in Afrika wilde werken en vervolgens huisarts wilde worden. Zo gezegd, zo gedaan. Zelfs een verliefdheid in de periode voorafgaand aan mijn vertrek naar Afrika kon mijn drang om naar de tropen te willen niet smoren. Geen probleem, mijn vriend wilde ook naar het buitenland. Alleen werd het niet hetzelfde buitenland. En zo volgde een LAT-relatie, die de afstand Nieuw-Guinea – Tanzania overbrugde. We deden allebei boeiend werk in spannende culturen en ontwikkelden ons. Ik kreeg in het ‘Bukumbi Hospital’ aan het Victoriameer al spoedig de behoefte naast dokteren en een ziekenhuis managen me meer te verdiepen in preventie. In samenwerking met de British Research Council kon ik ‘multiple drug treatment’ voor TB en lepra starten in ruil voor het nauwkeurig gegevens bijhouden en verstrekken over de effecten daarvan. Dit verkortte de behandelingen voor die ziekten aanzienlijk en vergrootte het behandelsucces. Voor mij was dit ongemerkt ook het begin van een wetenschappelijke carriѐre. Na 3,5 jaar Tanzania volgde 2,5 jaar werken in Cambodjaanse vluchtelingenkampen in Thailand (waar mijn vriend inmiddels ook werkte) en een master degree opleiding in public health. We verhuisden naar de VS, waar ik een PhD epidemiologie voltooide, research ervaring opdeed en onze 2 kinderen werden er geboren. Na 10 jaar buitenland werd ik dan uiteindelijk toch huisarts in een gezondheidscentrum in Hoogeveen en combineerde dat met onderzoek in de huisartsgeneeskunde bij het NIVEL. Na onderzoek in de twee Nationale Studies, de effecten van de Bijlmerramp en de vuurwerkramp Enschede werd ik coördinator van de Peilstations, die gegevens verzamelen over diverse ziekten, waaronder griep. Voor het NIVEL ben ik ook woordvoerder voor de media over deze surveillance. Het boeiende van de combinatie huisarts zijn en onderzoek doen is dat je de inspiratie voor het onderzoek uit je huisartsenvak kunt halen en ook de ideeën over hoe het onderzoek toegepast kan worden kunt verwezenlijken. Regelmatig werk ik als huisarts volgens richtlijnen, die mede gebaseerd zijn op onderzoek in de Peilstations en momenteel werk ik met diverse betrokken disciplines aan samenwerkingsafspraken over ongewenste zwangerschap na onderzoek over dat onderwerp in de peilstations. Sinds 1 januari 2014 ben ik lid van de Gezondheidsraad en zit ik in de commissie Rijgeschiktheid.

De fascinatie voor Afrika bleef ook. De briefwisseling uit die periode bleef bewaard en leverde nadat de kinderen gingen studeren het boek ‘’Brieven naar de Groene Hel’’ op (zie www.brievennaardegroenehel.nl). De opbrengst van het boek gaat naar ontwikkelingsprojecten in Tanzania en Nieuw-Guinea.

Het werken op het snijvlak van toegepaste geneeskunde en onderzoek geeft voortdurend inspiratie. Geen nauwkeurig geplande carriѐre, maar je hart volgen en plezier hebben in wat je doet. Het combineren van twee substantiële banen en het grijpen wat er op je pad komt zonder nauwkeurig te plannen, kan een recept voor burn-out zijn. Het vergt balanceertechniek en op het juiste moment kunnen schakelen naar ontspanning en sociale activiteiten. Het deeltijd onderzoeker zijn beperkt mijn carriѐremogelijkheden, maar levert zinnig onderzoek op en dat is mijn missie. De verdieping en afwisseling van activiteiten (never a dull moment) maakt ook dat ik er nog steeds veel plezier in heb en dat probeer ik over te brengen op huisartsen, die ik samen met een collega als duo opleid.

Mijn echtgenoot heeft altijd full time gewerkt, maar bij onvoorziene omstandigheden voelden we ons beiden verantwoordelijk en konden we elkaar afwisselen in improvisatie. Ook was het in mijn omgeving vanzelfsprekend dat je niet met één kind naar zwemles of sporttraining reist, maar een paar andere kinderen meeneemt en daarna weer een paar keer vrijgesteld bent. Samenwerken op de werkvloer, maar ook met andere ouders en privé.

De VNVA is een club die samenwerking tussen vrouwelijke artsen kan bevorderen, problemen signaleert en aanpakt. De cursus ‘’Strategisch leiderschap’’ vond ik heel nuttig. Niet dat ik er een groot leider van geworden ben, maar ik ben me wel bewuster geworden van de processen die op de werkvloer spelen en je eigen rol daarin. Mijn advies is: wacht niet te lang met die cursus volgen. Het zou voor mij goed geweest zijn wat eerder de mogelijkheden op dat terrein te verkennen.

Lees meer...

VNVA in het kort

  • De VNVA behartigt de belangen van de vrouwelijke artsen. De vereniging acht het van groot belang dat alle vrouwelijke artsen hun talenten optimaal kunnen benutten en daardoor een hun passende positie in de gezondheidszorg kunnen innemen. Tevens zet de vereniging zich in voor het inweven van seksespecifieke geneeskunde in opleiding en praktijk. Daarbij stimuleert de VNVA de gewenste maatschappelijke veranderingen…

Volg ons

VNVA op sociale media