Rolmodel

Gesprek Sylvia Buis/Vena dd 22 september 2014
Een paar jaar geleden was de commissie TOP binnen de VNVA erg actief. Vrouwelijke artsen met de ambitie om hogerop te komen in wetenschap en bestuur maakten zich samen sterk om het glazen plafond te doorbreken en er zijn zeker successen geboekt. De spin-off was dat lokaal ook netwerken ontstonden in (academische) ziekenhuizen, en een van de meest vooruitstrevende vrouwennetwerken is VENA in Erasmus MC Rotterdam. Met Corine van der Sande, Management Development Adviseur en Lissy de Ridder, kinderarts en duo voorzitter van VENA besprak ik de activiteiten van VENA en de mogelijkheden voor kruisbestuiving met de VNVA in de toekomst.

 Het netwerk aan de Erasmus Universiteit is in 2006 mede opgericht door Hanneke Takkenberg, vroeger commissie TOP lid (zie ook het interview in Nieuwsbrief september 2014). Het netwerk wordt ondersteund (ook financieel) door de Raad van Bestuur van het Erasmus MC. Er is ookeen  female career development programma en er wordt op verschillende niveaus invloed uitgeoefend om het probleem van de beperkte doorstroming van vrouwelijke artsen naar een hoogleraarspositie zichtbaar te maken zodat er bewustwording optreedt. Lissy: "Je ziet het aantal vrouwelijke artsen toenemen maar het aantal benoemingen van vrouwelijke hoogleraren blijft achter en er is nauwelijks een trend te zien dat het aantal verhoudingsgewijs toeneemt.(..) Als jonge vrouwen nu denken dat het allemaal wel komt als je goed je best doet spreken de cijfers dit tegen. Ook in mijn vak waar 70% van de kinderartsen vrouw is zie je vooral mannelijke hoogleraren." Het strategisch plan voor het Erasmus MC benoemt expliciet dat 30% van de nieuw aan te nemen hoogleraren vrouw moet gaan worden. Benoemingen worden gedaan op voordracht van het afdelingshoofd en om die reden worden er aparte bijeenkomsten georganiseerd met afdelingshoofden en directeuren om de bewustwording van afdelingshoofden voor dit probleem te vergroten. "We leggen ook uit dat mannen en vrouwen zich vaak anders presenteren. Als iemand de gevraagde taken 80% beheerst zal een man vaker zeggen dat hij het beheerst (en denkt dat leer ik er wel bij) terwijl een vrouw vaker geneigd is die 20% ter sprake te brengen. Dan lijkt de keuze snel gemaakt voor een man terwijl die vrouw even goed is", zegt Corine.  Er lijkt iets te gebeuren nadat vrouwen medisch specialist zijn geworden waardoor mannen en vrouwen niet meer gelijk opgaan (..) Voor vrouwen is het belangrijk om af en toe een zetje in je rug te krijgen als aanmoediging en na zo'n bijeenkomst zie je dat dat vaker gebeurt. Omdat het om een combinatie van organisatie en persoonlijke effectiviteit gaat wordt er ook twee keer per jaar overlegd met de decaan over afspraken en plannen, en zijn er themabijeenkomsten voor de leden. Iedereen die geïnteresseerd is en bij Erasmus MC werkt kan lid worden (er zijn ongeveer 1300 leden) en zich aanmelden voor workshops zoals onderhandelen, netwerken, storytelling, stemgebruik en presentatie." "Waar we natuurlijk geen invloed op hebben zijn de maatschappelijke ontwikkelingen. Als moeder word je nog steeds raar aangekeken als je fulltime wilt werken, kinderopvang is niet goed geregeld en zorgtaken komen vaker terecht bij vrouwen."  

VENA richt zich op alle academische vrouwen in het Erasmus MC. Er is weinig contact met netwerken in andere ziekenhuizen. Afgezien van overleg met de LVNH (Vrouwelijke hoogleraren) is er geen landelijk overleg. Mogelijk kan de VNVA hierin een coördinerende rol spelen. We raken in gesprek over de reden waarom we het  zo belangrijk vinden dat er meer vrouwelijke hoogleraren komen, niet alleen in het ErasmusMC maar ook elders. Het belangrijkste is het benadrukken van diversiteit; gemengde teams bereiken vaak betere resultaten en er zijn nu eenmaal genoeg ambitieuze hoog gekwalificeerde vrouwen. Is het ook zo dat vrouwelijke artsen betere kwaliteit leveren of beter kunnen omgaan met nieuwe ontwikkelingen als patient centered medicine? Corine: "Dat weten we eigenlijk niet en het is ook heel moeilijk te onderzoeken want er spelen zoveel factoren mee maar het zou boeiend zijn om hier eens naar te kijken om onze missie sterker te maken."
Corine benadrukt dat natuurlijk niet iedereen hoogleraar hoeft te worden, als vrouwen drie dagen willen werken en hiermee tevreden zijn is dat prima. En mannen worden niet vergeten want er zijn ook talentenprogramma's voor mannen en vrouwen die zij coördineert. Tenslotte vraag ik de dames of er iets bekend is over de nieuwe selectiecriteria voor de instroom van nieuwe geneeskunde studenten nu de loting wordt afgeschaft. Corine geeft aan dat hierover nog niets bekend is, maar dat er wel stemmen opgaan om de instroom van mannen te vergroten, met als mogelijk argument... diversiteit.

 

Lees meer...

Hanneke Takkenberg-2811Interview door Sylvia Buis

Hanneke Takkenberg vormde tot 2 jaar geleden samen met Marieke Visser en Gemma Kenter de commissie TOP. Ook richtte zij aan het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam samen met Jolien Roos-Hesselink het academisch vrouwennetwerk VENA op. Sinds 2012 is zij hoogleraar Klinische Besliskunde in Cardio-thoracale Interventies en is nu voorzitter van het ENVH (EUR netwerk voor vrouwelijke hoogleraren).

Waarom heb je destijds VENA opgericht?
Ik las in 2005 in het sociaal jaarverslag van het EMC over inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen en heb toen een e-mail gestuurd aan de Raad van Bestuur. Charlotte Insinger zat destijds in de Raad van Bestuur en heeft vanuit haar lidmaatschap van het Ambassadeursnetwerk de stagnerende doorstroom van vrouwelijk talent binnen het Erasmus MC opgepakt. In 2006 is VENA opgericht, het academisch vrouwennetwerk van Erasmus MC, waarvan ik samen met Jolien Roos-Hesselink duo voorzitter ben geworden. Bij de commissie TOP waren we destijds bezig met het kweken van awareness in het algemeen. Voordeel van VENA is dat je meer kunt bereiken als je in een organisatie zit ingebed en de raad van bestuur gecommitteerd is. Er is veel bereikt, zoals het female career development programma, de inspirerende VENA bijeenkomsten, een mentorprogramma en een ambassadeursnetwerk. Natuurlijk zijn we blij met meer vrouwelijke hoogleraren, maar met slechts 16% vrouwelijke hoogleraren binnen Erasmus MC is er nog een lange weg te gaan.


Wat zou je graag nog willen bereiken in het academische ziekenhuis?
Op dit moment speelt de aandacht voor talentontwikkeling en speciale aandacht voor vrouwen vooral in de hogere managementlagen en nauwelijks in de lagen daaronder. Ik zou graag willen dat direct leidinggevenden hier ook meer aandacht aan geven, aan de talenten en aan de mens achter de dokter. Ook het besef dat talent zich op vele manieren kan uiten, niet alleen door 80 uur per week te werken (een verouderd beeld dat hardnekkig blijkt onder medisch specialisten). Ik heb zelf veel voordeel gehad van een leidinggevende die bereid was mee te denken, al ben ik zelf ook altijd proactief geweest in het regelen van mijn zaken.

Moeten alle vrouwen naar de top?
Nee, ik denk dat er binnen de academische setting de aandacht vooral is gericht op mensen die binnen hun onderzoek naar de top willen, maar veel minder op mensen die bijvoorbeeld onderwijs geven of patiëntenzorg of meer een verbindende rol hebben. Daar moet ook waardering voor zijn omdat zij minstens zo belangrijk zijn voor de organisatie. Dus niet alleen aandacht voor de hardlopers, maar ook voor de duurlopers.

Kun je iets vertellen over je eigen work life balance?
Na mijn studie geneeskunde ben ik voor het wetenschappelijk onderzoek gegaan. Dat vond ik leuk, daar haal ik energie uit en dat is altijd mijn drijfveer geweest. Ik heb altijd fulltime gewerkt, heb vier kinderen waarvan er een chronisch ziek is en heb het thuis zo georganiseerd dat er altijd oppas en huishoudelijke ondersteuning is en ik alle tijd voor mijn gezin heb als ik thuis ben. De ziekte van mijn dochter heeft mij ook aangezet tot vrijwilligerswerk voor de patiëntenvereniging VOKK en dat geeft ook energie. 

Heb je nog tips voor andere vrouwelijke artsen?
Ik vind het zelf belangrijk om uit te dragen dat je net als sporters periodiek moet stilstaan om te kijken waar je bent en hoe het staat met je geestelijke conditie. In een recente lezing over worklife balance deelde ik mijn lifeline met het publiek en liet zien hoe belangrijk het is om te kijken welke normen en waarden belangrijk voor je zijn, waar je gelukkig van wordt. Dat was voor velen een eye opener, er even boven staan. Dat bepaalt je keuze, en dat besef je vaak niet als je bezig bent met het overleven van de week. Het helpt ook als je een rolmodel hebt, voor mij zijn dat Els Borst en Neelie Kroes. Voor mij persoonlijk is mijn mentor ook een grote steun bij het plannen van mijn carrière. En vraag anderen hoe zij het hebben gedaan.

Lees meer...

Marijke BootsmaIk groeide op in Rotterdam, zat op het Erasmiaans Gymnasium. Ging in 1963 medicijnen studeren in Groningen. In februari 1972 studeerde ik af. Tijdens onze studietijd konden wij oefenen in besturen en organiseren. Ik heb daarvan mijn verdere leven veel plezier gehad.

HUISARTS

Augustus 1972 begon ik met Jan Schuling als huisarts in een schoollokaal aan wat is uitgegroeid tot het Gezondheidscentrum Lewenborg in Groningen. Er was toen geen huisartsenopleiding.

De nieuwe stadswijk waar bij startten had 30 inwoners, wij hadden ieder een halve dag “dienst”= wachten op patiënten en deden verder allerlei medische klussen naast avond- nacht- en weekenddiensten. Het was pionieren. Ik was de derde vrouwelijke huisarts in Groningen.

Het huisartsenvak heb ik in de volle breedte beoefend, tot 1990 inclusief verloskunde. Ik vind het nog steeds een prachtig vak. De medische uitdaging van het omgaan met onzekerheid, het komen tot een juiste diagnose of advies, en de menselijke kant. Wat kan je veel van patiënten leren over de omgang met (chronische) ziekte. Vooral de continuïteit in relatie met patiënten en het bijna vanzelfsprekende vertrouwen dat mensen je schenken vond ik heel bijzonder. En binnen onze maatschap en gezondheidscentrum de (multidisciplinaire) samenwerking. Solo had ik het niet gekund.

NASCHOLING en ACCREDITERING

Al snel werd ik betrokken bij de nascholing, de Breedenburgcursus, een innovatief concept, in Groningen ontwikkeld. Nascholen en opleiden is altijd mijn tweede professionele passie gebleven, naast die van huisarts.

Ik was vanaf 1980 huisarts-opleider tot mijn pensioen in 2010.

In 1989 werd ik Regionaal Coördinator voor Noord-Nederland. Toen die functie verviel in 1996 en de nascholing verplicht werd, werd ik landelijk beleidsmedewerker accreditering.

Ik maakte een paar maal deel uit van de NHG-congrescie en was daarvan in 2002 voorzitter.

ONDERZOEK

We deden in Lewenborg ook onderzoek, maar op dat punt heb ik mij laten afschrikken door de redactie van H&W, die een artikel over ons Slaapmiddelenproject genadeloos afwees. Andere collegae uit onze praktijk toonden meer doorzettingsvermogen en promoveerden.

GEZIN

Pieter Bootsma en ik trouwden in 1970, wij hebben 3 kinderen, Jannetje (1976) is advocaat, Jikke (1978) uroloog en Meile (1981) stuurman op een coaster. Pieter had ook een drukke baan, rector van een school. Wij hebben altijd hulp-in-de-huishouding en oppas voor de kinderen thuis georganiseerd. De dienstweekenden, nog zonder mobiele telefoon!, waren voor Pieter en het gezin een belasting. Maar…onze dochters waren al op jonge leeftijd in staat zeer adequaat de telefoon te beantwoorden.

Toen ik kinderen kreeg (en toxicose) was zwangerschapspathologie niet meeverzekerd bij de ArtsenOnderlinge. Ons maatschapcontract stelde zwangerschap al wel gelijk met afwezigheid door ziekte, dat was toen niet gebruikelijk. Mijn maten namen een maand waar en verder regelde ik een betaalde waarnemer.

VNVA

In Groningen werd je als coassistente door Eulia van Bork lid gemaakt. Er viel veel te doen aan de emancipatie van de vrouwelijke arts. In de 70-er jaren sprak Corrie Hermann op de KNMG-vergaderingen in Utrecht namens de VNVA, ik bewonderde haar doorwrochte betogen. Ik mocht daar spreken namens de afdeling Groningen. Bij een vrouwelijke spreker applaudisseerden “de heren”. Intimidatie! De adrenaline gierde me dan door de keel. Uiteindelijk slaagde de VNVA erin een aantal verbeteringen doorgevoerd te krijgen. Zelf was ik vrij passief binnen de VNVA, ik had al ander hooi op de vork. In mijn nadagen compenseer ik dat door deelname aan de cie Corrie Hermannprijs en de lustrumcie Groningen.

LEERMOMENTEN?

  • Zorg voor plezier in je werk en houd je vak bij
  • Werk waar mogelijk in een team, leer van elkaar (en van je patiënten)
  • Zorg goed voor jezelf, bespaar niet op hulpkrachten, thuis en in je praktijk, liever iets minder geld dan burnout omdat je niet wil/kan delegeren en daarvoor betalen
  • Benut kansen voor nieuwe uitdagingen, ook als het je energie kost, het levert je ook wat op. Indutten is dodelijk.
  • Werk en gezin zijn uitstekend te combineren. Maak tijdig bij het aangaan van een relatie duidelijk hoe je dat ziet.
  • Focus niet alleen op taken voor collegae/andere gezinsleden maar op wat je zelf kan doen, pak zo nodig een keer extra aan en zorg voor een flexibel evenwicht.

 

Lees meer...

69 jaar, getrouwd, 1 dochter, internist tropische ziekten, gepensioneerd.

Jose Wetsteijn 2014Of een gepensioneerd internist nog als een rolmodel kan fungeren, was voor mij even een vraag. Wel moet ik toegeven dat de “historie” van een persoon/patiënt mij altijd zeer heeft geboeid.

Tijdens mijn medische studie (man/vrouw verhouding: 1:14 ), wilde ik graag een tropencoschap doen zoals een aantal medische vrienden had gedaan. De Commissie (4 mannen) zag slechts beren op die weg, maar na veel argumenten, mocht ik tenslotte gaan. Daarmee was – achteraf - mijn toekomstige carrière geboren evenals mijn grote liefde voor tropisch Afrika.
Na mijn artsexamen begon ik aan de tropenopleiding en 2 jaar later keerde ik terug naar “mijn” ziekenhuis in Tanzania. Voor vertrek had ik mijn opleidingsplaats voor Interne Geneeskunde vastgelegd. Met veel plezier werkte ik in Tanzania en toen mijn opleidingsplaats beschikbaar kwam, ging ik terug naar Nederland met de bedoeling als specialist terug te keren om het medisch onderwijs in Tanzania te helpen. Een ommezwaai in het Nederlandse uitzendbeleid zou deze plannen drastisch dwarsbomen. Tijdens mijn specialisatie vroeg ik mijn opleiders een stage “Tropische Ziekten” te mogen lopen bij Prof. Zuidema (Koninklijk Instituut voor de Tropen), het was een primeur, maar werd ingewilligd. Het bleek een gouden greep. Want aan het einde van mijn specialisatie kreeg ik het verzoek staflid te worden op het toenmalige “Consultatiebureau voor Tropische Ziekten”. Toen de twee Amsterdamse universitaire ziekenhuizen, BG en WG, verder gingen als AMC, kregen we een eigen onderafdeling binnen de Interne Geneeskunde, waar ik patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek combineerde.

Eerst fulltime, maar na de geboorte van mijn dochter parttime; dat laatste was ongehoord, kostte wel enige strijdvaardigheid maar kreeg steun van de hoogleraar Tropische Geneeskunde. Tot mijn pensioen heb ik met veel plezier gewerkt. In 1995 heb ik samen met enkele enthousiaste studenten het tropencoschap (waar ik zelf zo van genoten had), aan de UvA kunnen bewerkstelligen. Honderden studenten hebben inmiddels deze unieke werkervaring onder totaal andere medische omstandigheden opgedaan. Getuige het statement: ”in A,dam heb ik medicijnen gestudeerd, in Tanzania ben ik dokter geworden”.

In 1996 verdedigde ik mijn proefschrift: Imported malaria in The Netherlands, an uninvited guest”.

Naast mijn werk ben ik ook bestuurlijk actief geweest, aanvankelijk binnen mijn vak, o.a. in het Concilium, mede oprichter van de junior vereniging van de Ned. Internisten Vereniging, als bestuurslid van de Ned. Vereniging voor Tropische Geneeskunde en redacteur van hun medisch Tijdschrift (Tropical and Geographical Medicine).

Mijn intrede in het Bestuur van de VNVA, regio Amsterdam e.o. geschiedde met een coup, toen wij, 3 jonge leden (ca. 35 jaar) ons tegenkandidaat stelden voor het in onze ogen te oude Bestuur. Vanaf 1979 was ik lid van het Bestuur, wnd. voorzitter, penningmeester en afgevaardigde naar het HB. Het was een bloeitijd van activiteiten w.o. de lustrumcongressen van de regio Amsterdam en het MWIA congres van 1995 in Den Haag. Nadien zat ik jarenlang in de commissie CHPrijs en recent was ik de vz. van de Wetenschappelijke commissie van het MWIA congres van 2011, sinds 2 jaar ben ik vz. van de commissie Seksuele Intimidatie.

In de meest woelige tijden heb ik veel plezier/steun gehad van de Kadertraining, een echte aanrader.

Samenvattend: ga je eigen weg, al botst het soms met de gevestigde medische orde, het is hard werken maar het brengt ook veel energie en plezier!

Lees meer...

63 jaar, dochter van 20 jaar (studeert, woont nog thuis). Clara Peters klHuisarts in Gezondheidscentrum Afrikaanderwijk in Rotterdam Zuid.

Toen ik in 1979 als huisarts startte in wat toen nog heette: “Wijkwelzijnscentrum Afrikaanderwijk” wist ik eigenlijk niet goed waar ik aan begon. Ik was niet alleen “van voor de watersnood” zoals een latere collega altijd grapte, maar ook van voor de Mammoetwet en de Huisartsenstandaarden. Een van mijn eerste rolmodellen was een man: Frans Huigen, huisarts in Lent bij Nijmegen, hoogleraar huisartsgeneeskunde en een van de eerste pleitbezorgers van gezins- en contextuele geneeskunde. In zijn praktijk deed ik met een medestudent mijn keuzecoschap “Nerveus –functionele klachten in de huisartspraktijk”. Nu zouden we spreken over SOLK (somatisch onverklaarde lichamelijke klachten). 

Na mijn medische studie in Nijmegen en de eenjarige huisartsenopleiding in Doetinchem (waar precies één Italiaans en één Spaans echtpaar in de praktijk zaten) wist ik zeker dat ik in een samenwerkingsverband wilde werken bij voorkeur in de stad. Vanuit een coschap in Tanzania en activiteiten binnen de faculteitsvereniging had ik al enige affiniteit met andere culturen en vrouwenproblematiek vnvamail@vnva.nl \ " align="left" height="487" hspace="12" width="210">(wat nu vrouwspecifieke geneeskunde heet). In Rotterdam was alles een uitdaging: de –toen al- veelkleurige samenstelling van de bevolking, de gecompliceerde grote stadsproblematiek, de directe no-nonsense benadering van de gemiddelde Afrikaanderwijker (dokter doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg). Ik struikelde over veel taalbarrières, culturele verschillen die ik niet goed begreep en werd teleurgesteld dat ik niet zoveel aan de wereld kon verbeteren als ik tevoren had gedacht. Toch werd ik op allerlei plekken in de wijk en in huizen van patiënten altijd warm ontvangen en heb ik de eerste 5 jaar daar echt “het vak” geleerd. Ik leerde redelijk huis-tuin- en keuken Turks en een mondje Arabisch, wat een enorme goodwill kweekte bij mijn patiëntenpopulatie.

Mijn 2e rolmodel was Darya Hoogcarspel, mijn collega-huisarts (vanaf 1989). Samen bedachten wij allerlei nieuwe plannen in de praktijk en soms ook binnen de wijk. We gaven veel voorlichting en cursussen aan (vooral) vrouwengroepen over anticonceptie, seks en chronische ziektes tot in de moskee toe.                                                                                                                         Van Darya leerde ik meer te kijken naar mijn eigen sterke eigenschappen dan naar zwaktes en daar ook iets mee te doen. Mijn grenzen aan te geven zonder schuld gevoel (hoe vrouwelijk!). Zij sleepte me met een bevriende kinderarts mee naar de VNVA-afdeling Rotterdam, waar we binnen een half jaar in het bestuur zaten. Dat was het begin van een nogal heftige periode, waarin ik een dochter kreeg, mijn langdurige relatie stukliep, ik enige tijd in groepspsychotherapie was omdat er wel heel veel gebeurde in mijn leven, ook binnen mijn werk, waarbij ziekte en overlijden van Darya en nog een ander teamlid van het gezondheidscentrum diepe sporen achterliet. Binnen de VNVA vond ik vooral een plek waar ik met vakgenoten ideeën kon uitwisselen, waar vrouwen zaten met dezelfde passie voor het vak. Waar belangstelling was voor de verbetering van de positie(en de gezondheid) van vrouwelijke patiënten. Hoe waardevol een vertrouwd netwerk kan zijn. Rolmodellen: Toine Lagro, Corrie Hermann, Cisca Griffioen vooral vanwege hun niet aflatende betrokkenheid.                                                                                                                                              

In de redactie van de VAMP kon ik mijn liefde voor het schrijven, het uitwerken van bepaalde thema’s / het interviewen van rolmodellen kwijt, mijn manier van creatief bezig zijn.

In het opleiden van huisartsen en coassistenten kan ik tenslotte, door zelf een rolmodel te zijn, mijn enthousiasme voor ons prachtige vak overbrengen. Meer weten?

“Dokteren in de stad” J.A.M. Harmsen en C.P.J.M. Peters, Practicum huisartsgeneeskunde , 2009

“Afri” een multiculturele kroniek, Jutta Chorus, 2010.

Lees meer...

VNVA in het kort

  • De VNVA behartigt de belangen van de vrouwelijke artsen. De vereniging acht het van groot belang dat alle vrouwelijke artsen hun talenten optimaal kunnen benutten en daardoor een hun passende positie in de gezondheidszorg kunnen innemen. Tevens zet de vereniging zich in voor het inweven van seksespecifieke geneeskunde in opleiding en praktijk. Daarbij stimuleert de VNVA de gewenste maatschappelijke veranderingen…

Volg ons

VNVA op sociale media