Rolmodel

Melanie Baas kl1. Wat was de aanleiding om het onderzoek uit te voeren? Signalen of eigen ervaringen?
Onze onderzoeksgroep bestaat uit een gynaecoloog, gynaecoloog-in-opleiding, verloskundige en psycholoog/co-assistent. We zijn bezig met meerdere studies naar zwangerschap en onder andere de posttraumatische stressstoornis(PTSS). PTSS kan zijn ontstaan na een ongecompliceerde bevalling, maar de kans op PTSS is groter indien de bevalling niet soepel verliep. Tijdens één van de avonden met onze onderzoeksgroep viel de vraag wat dat soort ingrijpende situaties eigenlijk met de hulpverlener doet. Terwijl we bezigwaren met het opzetten van de vragenlijst kwam longarts Mariska Koster in het nieuws met aandacht voor de zwaarte van het vak. De tijd is er blijkbaar rijp voor. Daarbij kwam ook dat Mariëlle al in juni 2013 bij de promotie van Claire Stramrood, aios gynaecologie, dacht: wat doet dit allemaal met de hulpverlener.

 

2. De uitslagen staan in het abstract. Welke uitslagen hebben jullie het meest verrast en waarom?
Het meest indrukkend waren de antwoorden op de open vragen, in totaal 15 getypte A4 tjes. Er waren mensen die een heel verhaal typten van iets wat ze hadden meegemaakt en eindelijk kwijt konden, maar ook mensen die zeiden ‘hier durf ik geen antwoord op te geven, dit is zo vertrouwelijk’. De antwoorden gaven een gezicht aan de cijfers, want ook die verrasten ons. De als gebrekkig ervaren opvang, de steun voor verandering. En dat het soms best lastig is de momenten die als heftig ervaren worden te herkennen, want als er een baby doodgaat vragen mensen misschien wel hoe het met je gaat, maar ook van de near misses kan je wakker liggen.
Dat collega’s een belangrijke rol hebben verbaasde ons niets, maar dat 30% ook graag gesprekken met een psycholoog of coach zou willen na een ingrijpende gebeurtenis verraste mij als psycholoog. Melanie Baas: als psycholoog word je vaak met enige scepsis ontvangen te worden in de artsenwereld. In werkgroepen op het Gynaecongres in november jl, waarin uitgebreid op het thema ingegaan werd, werd nu simpelweg gezegd “Het is verhelderend als er iemand wiens vak het is met ideeën komt die buiten ons denkkader vallen”. De daadkrachtige en vooruitstrevende aanpak heeft mij echt gegrepen.
Tijdens ons onderzoek hoorden we over kleinschalige initiatieven van opvang, maar nadeel daarvan is dat iedereen het wiel opnieuw uit moet vinden in een tijd waar we het al druk hebben. Bovendien zou een goede opvang niet werkplekafhankelijk moeten zijn, maar voor iedereen bekend en beschikbaar.

3. Is er iets bekend over de non-responders? Ivm veel andere burn out onderzoeken die we hebben gezien is 48% een hoge respons.
Tot zover we kunnen zeggen hebben we qua demografische kenmerken een redelijke afspiegeling van de huidige beroepsgroep. Het is anoniem, waarbij geen non-response analysis kan plaatsvinden. We hebben veel nagedacht over wat voor sample selection bias er zou kunnen zijn: hebben vooral gynaecologen die een ‘ingrijpende gebeurtenis’ hebben meegemaakt gereageerd, of hebben de mensen die klachten eraan over hebben gehouden ons onderzoek juist vermeden. Vermijding is immers inherent aan PTSS. Daarnaast kan het dat vooral gynaecologen die dit een belangrijk onderwerp vinden of ontevreden zijn over de opvang gereageerd hebben. We konden daarom ook blij zijn als we een opmerking tegen kwamen van “wat een geitenwollensokken gedoe dit!”

4. In een artikel in Medisch Contact werd ook al een link gelegd met de blog van Mariska Koster. Is de tijd voorbij dat we zeggen 'dat hoort bij het vak' en anders ben je niet geschikt? Zo ja, wat heeft hiermee te maken?
Minder dan 5% was het eens met de stelling ‘als je wakker ligt van heftige gebeurtenissen ben je niet gemaakt voor dit vak’. De tijdsgeest is overduidelijk dat er meer aandacht komt voor ‘het dragen van het vak’, je hoort het rondzoemen in media en ziekenhuisgangen. Ik denk zelf dat er meerdere dingen meespelen, waaronder het toegenomen percentage vrouwen in opleidingen en specialismes. De vraag is veranderd, en daardoor blijkt het aanbod niet langer toereikend. Daarnaast is ook de tijd veranderd: de patiënt is mondiger, en de claimcultuur dreigt. Wat betreft geschikt zijn voor het vak vind er natuurlijk een (zelf)selectie plaats voor je in opleiding gaat, maar dat betekent niet dat je daarna niet meer mag aanstippen als het zwaar valt. De hoge uitval in de opleidingen is hiervan een teken.

Marielle van Pampus 3 kl vs25. Hoe zijn de reacties uit het veld? Ook nog andere specialismen? en beleidsmakers?
Er is een stortvloed aan positieve reacties gekomen, zowel van binnen als buiten de beroepsgroep. Doordat het ook in landelijke kranten stond bereikte het snel een groot publiek. De chirurgen hebben onlangs een subsidie gekregen: Fit to Perform, waarin zij ook de gynaecologen hebben gevraagd. Het speelt dus ook in andere beroepsgroepen.

6. Er zijn plannen om de opleidingen te moderniseren. Hebben jullie nog adviezen nav het onderzoek?
Het leren omgaan met ingrijpende gebeurtenissen bleek in de opleiding amper aan bod te komen: omgaan met emoties wordt meestal ‘in de praktijk’, geleerd door trial-and-error, afkijken bij collega’s en bij intervisie. Het zou goed zijn om het te bespreken voor je eerste praktijkervaring als co-assistent, bijvoorbeeld in een les over hoe je met heftige ervaringen omgaat. De co-assistenten worden steeds jonger, en er is nog geen afsplitsing geweest met de toekomstige artsen die liever iets zonder spoed en bloed zullen gaan doen. Wanneer je het over arts-assistenten hebt: we moeten nog gaan kijken wat er uit de focusgroep opleiding / opleiders kwam. Dat je –naast basics over opvang- het het beste leert in de praktijk en niet zomaar uit een boek is wel van belang, je zou kunnen denken aan een module die ergens in de opleiding gedaan kan worden wanneer er zo’n situatie plaatsvindt.

7. Verwacht u betere patiëntenzorg als gynaecologen 'beter voor zichzelf zorgen'?
Het is bekend dat de mentale gesteldheid van hulpverleners samenhangt met de interactie met patiënten en collega’s, en met de kwaliteit van zorg die je levert. Zo leiden depressie en burn-out tot een toename van medische fouten. Uit ons onderzoek blijkt dat 56% na het meemaken van een ingrijpende gebeurtenis zijn werkomstandigheden heeft aangepast, bijvoorbeeld geen vaginale stuitbevallingen meer doen, of meer/sneller in huis komen in plaats van telefonische supervisie. Wel vraagt een plotselinge anders risicomanagement, of veranderen van je werkomstandigheden om een eerlijke zelfreflectie: is het je reactie geweest op het meemaken van een ingrijpende gebeurtenis? Wat speelt hier? Het kan symptoombestrijding zijn van een onderliggend probleem.
In de pilotenwereld wordt voor een vlucht gevraagd “Are you fit to fly?”. Na een ingrijpende gebeurtenis is het logisch dat dit een tijd lang wat met je doet. Als je na een week wakker ligt of met klammende handjes aan het ziekenhuisbed staat heb je nog geen PTSS. De afweging of je goede zorg kan leveren speelt altijd, of je nu een ingrijpende gebeurtenis hebt meegemaakt of een week amper geslapen hebt omdat je thuis een ziek kind hebt.

Melanie Baas, psycholoog en coassistent
Mariëlle van Pampus, gynaecoloog en perinatoloog

 

Onlangs publiceerde de NVOG (de vereniging van gynaecologen) een onderzoek naar de gevolgen van ingrijpende gebeurtenissen op de werkvloer en de opvang onder haar leden. Van de respondenten had 12.7% een ernstige traumatische gebeurtenis meegemaakt, en 1,5% zelfs een PTSS als gevolg hiervan. De onderzoekers concluderen dat de nazorg in elk geval beter kan om ervoor te zorgen dat artsen goed kunnen blijven functioneren. Belangrijk onderzoek omdat steeds duidelijker wordt dat zorgen voor jezelf en voor elkaar van essentieel belang is voor een arts. Achtergrondartikel

Lees meer

Lees meer...

Marith Rebel- MG 5997MInterview met Marith Rebel-Volp
door Sylvia Buis

Als voormalig voorzitter van de VNVA en huisarts met een grote sprong de politiek in en nu als Kamerlid voor de PvdA met de portefeuille 'alles wat God verboden heeft', heeft Marith inmiddels wel door hoe de mores van de Tweede Kamer werkt. In haar drukke programma heeft ze tijd gevonden om koffie te drinken en bij te praten in het inmiddels zwaarbeveiligde gebouw.

Het is geen vooropgezet plan geweest om Kamerlid te worden, maar ambitie heeft Marith altijd wel getoond door al vanaf de middelbare school 'er heel veel naast te doen'. Marith: 'De druk om mezelf te bewijzen is nu wel minder groot geworden, sinds mijn veertigste doe ik dingen die ik echt wil. Dingen komen op je pad, je moet alleen de sprong durven wagen. En ik heb nog geen uitgestippelde route vanaf hier. Veel ideeën, maar misschien is een bloemenwinkel ook wel leuk. Ik geloof niet zo in sturing van je carrière, maar als je iets wilt moet je niet te laag inschieten. Marith geeft aan dat ze niet 1 rolmodel heeft. " ik heb er veel en pik van iedereen iets mee. Het is vooral belangrijk om jezelf te zijn. Behalve mijn nettere jurkjes ben ik hier niet anders dan ik als huisarts ben, ik speel geen rol."

Mariths portefeuille is inmiddels flink uitgebreid. Prostitutie, roken, drugs, gevangeniswezen, alcohol, ze vat het ook wel samen als de rafelrandjes van de samenleving. Voor Marith is het uitgangspunt: hoe verbeter je de positie van de meest kwetsbaren? Het zijn geen eenvoudige thema's. Marith: "Vaak buitelt iedereen over elkaar heen want in deze onderwerpen is er vaak geen goed of fout, en speelt emotie altijd een rol. On te voorkomen dat je in emoties blijft hangen, is het vaak zinvol om onderzoek te doen. Bijvoorbeeld in het geval van strafbaar stellen van bezoekers van gedwongen prostitutie. Ik heb eerst laten onderzoeken of het echt nodig was om aanvullende wetgeving te maken. Zo haalde ik de emotie uit de discussie." Marith geeft aan dat het wel belangrijk is om te erkennen dat er emotie over een onderwerp kan zijn maar dat het belangrijk is om vooral te kijken wat er echt speelt. Marith ervaart haar achtergrond als (nog steeds) praktiserend huisarts hierin van grote waarde. "In de Tweede Kamer bestaat de neiging om snel tot een oplossing te komen, de diagnose wordt al gesteld voor dat duidelijk is wat er speelt. Ook hier in Den Haag loont het om eerst te luisteren, te achterhalen wat de hulpvraag is, onderzoek te doen en dan pas de diagnose te stellen of een oplossing te vinden. Het grootste risico van de politiek is het adagium: "zo hebben we het altijd gedaan". Het blijft van belang kritisch te blijven, vragen te blijven stellen en de "diagnose" telkens weer ter discussie te stellen, net als je doet als arts. En ik merk dat ik als huisarts ook pragmatisch ben: je kunt drugs niet uitbannen, alleen repressie werkt niet. Dus investeer in preventie en help gebruikers.

Sinds kort werkt Marith op vrijdag weer in haar oude huisartsenpraktijk in Amsterdam Nieuw West. Ze noemt het gekscherend "buitenspelen": dat kan ik en het vak volksvertegenwoordiger ben ik aan het leren. Het spreekuur helpt me om te voelen wat er in de samenleving speelt. Ik zie nog veel mensen die in hun dagelijkse bestaan nog niet voelen dat we uit de crisis zijn, zoals we dat wel voorzichtig zien in de economische cijfers. En dat stimuleert me om in Den Haag nog harder te werken. Ik spreek in de praktijk juist die mensen waarvoor ik naar Den Haag ben gegaan."

Naar aanleiding van mijn vraag of er genoeg vrouwen in de politiek zijn is haar antwoord: "Politiek zou gebaat zijn bij meer vrouwen. Ze hebben vaak beter geleerd om te luisteren. Het is wel wennen aan de mores, vooral bij justitie, stevige mannen met grote woorden. Ik heb een fantastische ondersteuning, met beleidsmedewerkers die ongelofelijk veel weten. En uiteraard zijn er collega's die kijken hoe je je staande houdt als nieuwkomer. Mijn truc: zeg de meest onaardige dingen met een glimlach. Dan zie je dat iemand denkt: heeft ze dat nu echt gezegd? En een beetje blufpoker hoort er ook bij.

En ja, het old boys network bestaat. Je hebt ze dus nodig want zij zitten op de sleutelposities. Je moet je er niet tegen afzetten maar je kunt wel vragen stellen en vragen hoe zij dingen doen of hoe zij er zijn gekomen. Zo'n directe vraagt schept vaak een verbazende blik, maar daarna zijn ze zeker bereid om mee te denken. Ik krijg nu in mijn nieuwe positie wel meer dingen voor elkaar dan vroeger." En op mijn vraag of we moeten geloven dat het allemaal zo erg is wat er zich afspeelt binnen de politiek? Marith: "Toen mijn moeder dat vroeg zei ik 'Mam het is nog veel erger dan dat'. Ze schrok ervan maar ik lachte: het maakt niet uit wat je zegt, wat in de krant staat klopt toch niet, er is te weinig nuance. De beeldvorming over de politiek is niet gunstig.

Ik durf het bijna niet te vragen want het is een typische vraag aan vrouwen: hoe combineer je alles? Marith heeft drie kinderen en is voor haar werk in de Tweede Kamer vaak op stap. Marith beaamt dat zo'n vraag zelden aan mannen wordt gesteld, maar dat haar man (kindercardioloog) nu af en toe vragen krijgt hoe hij dat combineert met zijn vrouw in de Tweede Kamer. "Hij constateert dat hij nu voor het eerst meer doet in het huishouden dan ik. Het risico van veel vrouwen is dat ze controle willen blijven houden en dat kan nu niet meer. Je moet het loslaten en zoveel mogelijk taken "outsourcen". Als er kleding van mijn kinderen tussen die van mij ligt kan ik dat loslaten. Vorig jaar moest ik voor het eerst alle Sintinkopen aan mijn man overlaten. Ik wist 's middags niet wat ze 's avonds zouden krijgen. En dat ging prima. Natuurlijk zullen mijn kinderen me later kwalijk nemen dat ik er vaak niet was, maar als ik in het zomerreces met de thee thuis zit, gaan zij ook bij vriendjes spelen. Ik zeg wel eens grappend: 'elk kind heeft recht op zijn eigen trauma, of je moeder er nu teveel is of te weinig.' Je moet in elk geval minder streng zijn voor jezelf."

We sluiten af met de VNVA. Mariths belangrijkste boodschap aan vrouwelijke artsen is: steun elkaar. "Jonge collega's geven vaak aan dat ze de VNVA niet nodig hebben. Maar ervaren voor het eerst dat er problemen ontstaan als je kinderen krijgt en je werk en gezin wilt combineren. Dan moeten we er zijn, dan moet de VNVA er voor ze zijn. Eerder heeft het geen zin om het belang van de vereniging bij mensen door de strot te duwen. Ondersteunen, bekrachtigen, inspiratie opdoen, daar is de VNVA een goede plek voor. En laat de vereniging dingen blijven benoemen, signalen die ze krijgt van leden en agendeer thema's en benoem problemen. Daar ligt ook de kracht van de VNVA."

Ik sprak Marith op de dag voordat de PvdA een rapport uitbrengt waarin werd geadviseerd dat PvdA kamerleden en bestuurders meer naar buiten te gaan. Mijn indruk was dat dat voor Marith geen probleem is, als ik haar door alle beveiligingspoortjes zie hollen naar haar volgende afspraak, en als ze vertelt dat ze na alle besprekingen van die dag ‘s avonds nog een afspraak heeft in Amsterdam om met een prostituee te praten. Het is aan alles te merken dat ze geniet van het werk en haar missie om de zwakkere in de samenleving meer stem te geven.

Lees meer...

Gesprek Sylvia Buis/Vena dd 22 september 2014
Een paar jaar geleden was de commissie TOP binnen de VNVA erg actief. Vrouwelijke artsen met de ambitie om hogerop te komen in wetenschap en bestuur maakten zich samen sterk om het glazen plafond te doorbreken en er zijn zeker successen geboekt. De spin-off was dat lokaal ook netwerken ontstonden in (academische) ziekenhuizen, en een van de meest vooruitstrevende vrouwennetwerken is VENA in Erasmus MC Rotterdam. Met Corine van der Sande, Management Development Adviseur en Lissy de Ridder, kinderarts en duo voorzitter van VENA besprak ik de activiteiten van VENA en de mogelijkheden voor kruisbestuiving met de VNVA in de toekomst.

 Het netwerk aan de Erasmus Universiteit is in 2006 mede opgericht door Hanneke Takkenberg, vroeger commissie TOP lid (zie ook het interview in Nieuwsbrief september 2014). Het netwerk wordt ondersteund (ook financieel) door de Raad van Bestuur van het Erasmus MC. Er is ookeen  female career development programma en er wordt op verschillende niveaus invloed uitgeoefend om het probleem van de beperkte doorstroming van vrouwelijke artsen naar een hoogleraarspositie zichtbaar te maken zodat er bewustwording optreedt. Lissy: "Je ziet het aantal vrouwelijke artsen toenemen maar het aantal benoemingen van vrouwelijke hoogleraren blijft achter en er is nauwelijks een trend te zien dat het aantal verhoudingsgewijs toeneemt.(..) Als jonge vrouwen nu denken dat het allemaal wel komt als je goed je best doet spreken de cijfers dit tegen. Ook in mijn vak waar 70% van de kinderartsen vrouw is zie je vooral mannelijke hoogleraren." Het strategisch plan voor het Erasmus MC benoemt expliciet dat 30% van de nieuw aan te nemen hoogleraren vrouw moet gaan worden. Benoemingen worden gedaan op voordracht van het afdelingshoofd en om die reden worden er aparte bijeenkomsten georganiseerd met afdelingshoofden en directeuren om de bewustwording van afdelingshoofden voor dit probleem te vergroten. "We leggen ook uit dat mannen en vrouwen zich vaak anders presenteren. Als iemand de gevraagde taken 80% beheerst zal een man vaker zeggen dat hij het beheerst (en denkt dat leer ik er wel bij) terwijl een vrouw vaker geneigd is die 20% ter sprake te brengen. Dan lijkt de keuze snel gemaakt voor een man terwijl die vrouw even goed is", zegt Corine.  Er lijkt iets te gebeuren nadat vrouwen medisch specialist zijn geworden waardoor mannen en vrouwen niet meer gelijk opgaan (..) Voor vrouwen is het belangrijk om af en toe een zetje in je rug te krijgen als aanmoediging en na zo'n bijeenkomst zie je dat dat vaker gebeurt. Omdat het om een combinatie van organisatie en persoonlijke effectiviteit gaat wordt er ook twee keer per jaar overlegd met de decaan over afspraken en plannen, en zijn er themabijeenkomsten voor de leden. Iedereen die geïnteresseerd is en bij Erasmus MC werkt kan lid worden (er zijn ongeveer 1300 leden) en zich aanmelden voor workshops zoals onderhandelen, netwerken, storytelling, stemgebruik en presentatie." "Waar we natuurlijk geen invloed op hebben zijn de maatschappelijke ontwikkelingen. Als moeder word je nog steeds raar aangekeken als je fulltime wilt werken, kinderopvang is niet goed geregeld en zorgtaken komen vaker terecht bij vrouwen."  

VENA richt zich op alle academische vrouwen in het Erasmus MC. Er is weinig contact met netwerken in andere ziekenhuizen. Afgezien van overleg met de LVNH (Vrouwelijke hoogleraren) is er geen landelijk overleg. Mogelijk kan de VNVA hierin een coördinerende rol spelen. We raken in gesprek over de reden waarom we het  zo belangrijk vinden dat er meer vrouwelijke hoogleraren komen, niet alleen in het ErasmusMC maar ook elders. Het belangrijkste is het benadrukken van diversiteit; gemengde teams bereiken vaak betere resultaten en er zijn nu eenmaal genoeg ambitieuze hoog gekwalificeerde vrouwen. Is het ook zo dat vrouwelijke artsen betere kwaliteit leveren of beter kunnen omgaan met nieuwe ontwikkelingen als patient centered medicine? Corine: "Dat weten we eigenlijk niet en het is ook heel moeilijk te onderzoeken want er spelen zoveel factoren mee maar het zou boeiend zijn om hier eens naar te kijken om onze missie sterker te maken."
Corine benadrukt dat natuurlijk niet iedereen hoogleraar hoeft te worden, als vrouwen drie dagen willen werken en hiermee tevreden zijn is dat prima. En mannen worden niet vergeten want er zijn ook talentenprogramma's voor mannen en vrouwen die zij coördineert. Tenslotte vraag ik de dames of er iets bekend is over de nieuwe selectiecriteria voor de instroom van nieuwe geneeskunde studenten nu de loting wordt afgeschaft. Corine geeft aan dat hierover nog niets bekend is, maar dat er wel stemmen opgaan om de instroom van mannen te vergroten, met als mogelijk argument... diversiteit.

 

Lees meer...

Hanneke Takkenberg-2811Interview door Sylvia Buis

Hanneke Takkenberg vormde tot 2 jaar geleden samen met Marieke Visser en Gemma Kenter de commissie TOP. Ook richtte zij aan het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam samen met Jolien Roos-Hesselink het academisch vrouwennetwerk VENA op. Sinds 2012 is zij hoogleraar Klinische Besliskunde in Cardio-thoracale Interventies en is nu voorzitter van het ENVH (EUR netwerk voor vrouwelijke hoogleraren).

Waarom heb je destijds VENA opgericht?
Ik las in 2005 in het sociaal jaarverslag van het EMC over inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen en heb toen een e-mail gestuurd aan de Raad van Bestuur. Charlotte Insinger zat destijds in de Raad van Bestuur en heeft vanuit haar lidmaatschap van het Ambassadeursnetwerk de stagnerende doorstroom van vrouwelijk talent binnen het Erasmus MC opgepakt. In 2006 is VENA opgericht, het academisch vrouwennetwerk van Erasmus MC, waarvan ik samen met Jolien Roos-Hesselink duo voorzitter ben geworden. Bij de commissie TOP waren we destijds bezig met het kweken van awareness in het algemeen. Voordeel van VENA is dat je meer kunt bereiken als je in een organisatie zit ingebed en de raad van bestuur gecommitteerd is. Er is veel bereikt, zoals het female career development programma, de inspirerende VENA bijeenkomsten, een mentorprogramma en een ambassadeursnetwerk. Natuurlijk zijn we blij met meer vrouwelijke hoogleraren, maar met slechts 16% vrouwelijke hoogleraren binnen Erasmus MC is er nog een lange weg te gaan.


Wat zou je graag nog willen bereiken in het academische ziekenhuis?
Op dit moment speelt de aandacht voor talentontwikkeling en speciale aandacht voor vrouwen vooral in de hogere managementlagen en nauwelijks in de lagen daaronder. Ik zou graag willen dat direct leidinggevenden hier ook meer aandacht aan geven, aan de talenten en aan de mens achter de dokter. Ook het besef dat talent zich op vele manieren kan uiten, niet alleen door 80 uur per week te werken (een verouderd beeld dat hardnekkig blijkt onder medisch specialisten). Ik heb zelf veel voordeel gehad van een leidinggevende die bereid was mee te denken, al ben ik zelf ook altijd proactief geweest in het regelen van mijn zaken.

Moeten alle vrouwen naar de top?
Nee, ik denk dat er binnen de academische setting de aandacht vooral is gericht op mensen die binnen hun onderzoek naar de top willen, maar veel minder op mensen die bijvoorbeeld onderwijs geven of patiëntenzorg of meer een verbindende rol hebben. Daar moet ook waardering voor zijn omdat zij minstens zo belangrijk zijn voor de organisatie. Dus niet alleen aandacht voor de hardlopers, maar ook voor de duurlopers.

Kun je iets vertellen over je eigen work life balance?
Na mijn studie geneeskunde ben ik voor het wetenschappelijk onderzoek gegaan. Dat vond ik leuk, daar haal ik energie uit en dat is altijd mijn drijfveer geweest. Ik heb altijd fulltime gewerkt, heb vier kinderen waarvan er een chronisch ziek is en heb het thuis zo georganiseerd dat er altijd oppas en huishoudelijke ondersteuning is en ik alle tijd voor mijn gezin heb als ik thuis ben. De ziekte van mijn dochter heeft mij ook aangezet tot vrijwilligerswerk voor de patiëntenvereniging VOKK en dat geeft ook energie. 

Heb je nog tips voor andere vrouwelijke artsen?
Ik vind het zelf belangrijk om uit te dragen dat je net als sporters periodiek moet stilstaan om te kijken waar je bent en hoe het staat met je geestelijke conditie. In een recente lezing over worklife balance deelde ik mijn lifeline met het publiek en liet zien hoe belangrijk het is om te kijken welke normen en waarden belangrijk voor je zijn, waar je gelukkig van wordt. Dat was voor velen een eye opener, er even boven staan. Dat bepaalt je keuze, en dat besef je vaak niet als je bezig bent met het overleven van de week. Het helpt ook als je een rolmodel hebt, voor mij zijn dat Els Borst en Neelie Kroes. Voor mij persoonlijk is mijn mentor ook een grote steun bij het plannen van mijn carrière. En vraag anderen hoe zij het hebben gedaan.

Lees meer...

Marijke BootsmaIk groeide op in Rotterdam, zat op het Erasmiaans Gymnasium. Ging in 1963 medicijnen studeren in Groningen. In februari 1972 studeerde ik af. Tijdens onze studietijd konden wij oefenen in besturen en organiseren. Ik heb daarvan mijn verdere leven veel plezier gehad.

HUISARTS

Augustus 1972 begon ik met Jan Schuling als huisarts in een schoollokaal aan wat is uitgegroeid tot het Gezondheidscentrum Lewenborg in Groningen. Er was toen geen huisartsenopleiding.

De nieuwe stadswijk waar bij startten had 30 inwoners, wij hadden ieder een halve dag “dienst”= wachten op patiënten en deden verder allerlei medische klussen naast avond- nacht- en weekenddiensten. Het was pionieren. Ik was de derde vrouwelijke huisarts in Groningen.

Het huisartsenvak heb ik in de volle breedte beoefend, tot 1990 inclusief verloskunde. Ik vind het nog steeds een prachtig vak. De medische uitdaging van het omgaan met onzekerheid, het komen tot een juiste diagnose of advies, en de menselijke kant. Wat kan je veel van patiënten leren over de omgang met (chronische) ziekte. Vooral de continuïteit in relatie met patiënten en het bijna vanzelfsprekende vertrouwen dat mensen je schenken vond ik heel bijzonder. En binnen onze maatschap en gezondheidscentrum de (multidisciplinaire) samenwerking. Solo had ik het niet gekund.

NASCHOLING en ACCREDITERING

Al snel werd ik betrokken bij de nascholing, de Breedenburgcursus, een innovatief concept, in Groningen ontwikkeld. Nascholen en opleiden is altijd mijn tweede professionele passie gebleven, naast die van huisarts.

Ik was vanaf 1980 huisarts-opleider tot mijn pensioen in 2010.

In 1989 werd ik Regionaal Coördinator voor Noord-Nederland. Toen die functie verviel in 1996 en de nascholing verplicht werd, werd ik landelijk beleidsmedewerker accreditering.

Ik maakte een paar maal deel uit van de NHG-congrescie en was daarvan in 2002 voorzitter.

ONDERZOEK

We deden in Lewenborg ook onderzoek, maar op dat punt heb ik mij laten afschrikken door de redactie van H&W, die een artikel over ons Slaapmiddelenproject genadeloos afwees. Andere collegae uit onze praktijk toonden meer doorzettingsvermogen en promoveerden.

GEZIN

Pieter Bootsma en ik trouwden in 1970, wij hebben 3 kinderen, Jannetje (1976) is advocaat, Jikke (1978) uroloog en Meile (1981) stuurman op een coaster. Pieter had ook een drukke baan, rector van een school. Wij hebben altijd hulp-in-de-huishouding en oppas voor de kinderen thuis georganiseerd. De dienstweekenden, nog zonder mobiele telefoon!, waren voor Pieter en het gezin een belasting. Maar…onze dochters waren al op jonge leeftijd in staat zeer adequaat de telefoon te beantwoorden.

Toen ik kinderen kreeg (en toxicose) was zwangerschapspathologie niet meeverzekerd bij de ArtsenOnderlinge. Ons maatschapcontract stelde zwangerschap al wel gelijk met afwezigheid door ziekte, dat was toen niet gebruikelijk. Mijn maten namen een maand waar en verder regelde ik een betaalde waarnemer.

VNVA

In Groningen werd je als coassistente door Eulia van Bork lid gemaakt. Er viel veel te doen aan de emancipatie van de vrouwelijke arts. In de 70-er jaren sprak Corrie Hermann op de KNMG-vergaderingen in Utrecht namens de VNVA, ik bewonderde haar doorwrochte betogen. Ik mocht daar spreken namens de afdeling Groningen. Bij een vrouwelijke spreker applaudisseerden “de heren”. Intimidatie! De adrenaline gierde me dan door de keel. Uiteindelijk slaagde de VNVA erin een aantal verbeteringen doorgevoerd te krijgen. Zelf was ik vrij passief binnen de VNVA, ik had al ander hooi op de vork. In mijn nadagen compenseer ik dat door deelname aan de cie Corrie Hermannprijs en de lustrumcie Groningen.

LEERMOMENTEN?

  • Zorg voor plezier in je werk en houd je vak bij
  • Werk waar mogelijk in een team, leer van elkaar (en van je patiënten)
  • Zorg goed voor jezelf, bespaar niet op hulpkrachten, thuis en in je praktijk, liever iets minder geld dan burnout omdat je niet wil/kan delegeren en daarvoor betalen
  • Benut kansen voor nieuwe uitdagingen, ook als het je energie kost, het levert je ook wat op. Indutten is dodelijk.
  • Werk en gezin zijn uitstekend te combineren. Maak tijdig bij het aangaan van een relatie duidelijk hoe je dat ziet.
  • Focus niet alleen op taken voor collegae/andere gezinsleden maar op wat je zelf kan doen, pak zo nodig een keer extra aan en zorg voor een flexibel evenwicht.

 

Lees meer...

69 jaar, getrouwd, 1 dochter, internist tropische ziekten, gepensioneerd.

Jose Wetsteijn 2014Of een gepensioneerd internist nog als een rolmodel kan fungeren, was voor mij even een vraag. Wel moet ik toegeven dat de “historie” van een persoon/patiënt mij altijd zeer heeft geboeid.

Tijdens mijn medische studie (man/vrouw verhouding: 1:14 ), wilde ik graag een tropencoschap doen zoals een aantal medische vrienden had gedaan. De Commissie (4 mannen) zag slechts beren op die weg, maar na veel argumenten, mocht ik tenslotte gaan. Daarmee was – achteraf - mijn toekomstige carrière geboren evenals mijn grote liefde voor tropisch Afrika.
Na mijn artsexamen begon ik aan de tropenopleiding en 2 jaar later keerde ik terug naar “mijn” ziekenhuis in Tanzania. Voor vertrek had ik mijn opleidingsplaats voor Interne Geneeskunde vastgelegd. Met veel plezier werkte ik in Tanzania en toen mijn opleidingsplaats beschikbaar kwam, ging ik terug naar Nederland met de bedoeling als specialist terug te keren om het medisch onderwijs in Tanzania te helpen. Een ommezwaai in het Nederlandse uitzendbeleid zou deze plannen drastisch dwarsbomen. Tijdens mijn specialisatie vroeg ik mijn opleiders een stage “Tropische Ziekten” te mogen lopen bij Prof. Zuidema (Koninklijk Instituut voor de Tropen), het was een primeur, maar werd ingewilligd. Het bleek een gouden greep. Want aan het einde van mijn specialisatie kreeg ik het verzoek staflid te worden op het toenmalige “Consultatiebureau voor Tropische Ziekten”. Toen de twee Amsterdamse universitaire ziekenhuizen, BG en WG, verder gingen als AMC, kregen we een eigen onderafdeling binnen de Interne Geneeskunde, waar ik patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek combineerde.

Eerst fulltime, maar na de geboorte van mijn dochter parttime; dat laatste was ongehoord, kostte wel enige strijdvaardigheid maar kreeg steun van de hoogleraar Tropische Geneeskunde. Tot mijn pensioen heb ik met veel plezier gewerkt. In 1995 heb ik samen met enkele enthousiaste studenten het tropencoschap (waar ik zelf zo van genoten had), aan de UvA kunnen bewerkstelligen. Honderden studenten hebben inmiddels deze unieke werkervaring onder totaal andere medische omstandigheden opgedaan. Getuige het statement: ”in A,dam heb ik medicijnen gestudeerd, in Tanzania ben ik dokter geworden”.

In 1996 verdedigde ik mijn proefschrift: Imported malaria in The Netherlands, an uninvited guest”.

Naast mijn werk ben ik ook bestuurlijk actief geweest, aanvankelijk binnen mijn vak, o.a. in het Concilium, mede oprichter van de junior vereniging van de Ned. Internisten Vereniging, als bestuurslid van de Ned. Vereniging voor Tropische Geneeskunde en redacteur van hun medisch Tijdschrift (Tropical and Geographical Medicine).

Mijn intrede in het Bestuur van de VNVA, regio Amsterdam e.o. geschiedde met een coup, toen wij, 3 jonge leden (ca. 35 jaar) ons tegenkandidaat stelden voor het in onze ogen te oude Bestuur. Vanaf 1979 was ik lid van het Bestuur, wnd. voorzitter, penningmeester en afgevaardigde naar het HB. Het was een bloeitijd van activiteiten w.o. de lustrumcongressen van de regio Amsterdam en het MWIA congres van 1995 in Den Haag. Nadien zat ik jarenlang in de commissie CHPrijs en recent was ik de vz. van de Wetenschappelijke commissie van het MWIA congres van 2011, sinds 2 jaar ben ik vz. van de commissie Seksuele Intimidatie.

In de meest woelige tijden heb ik veel plezier/steun gehad van de Kadertraining, een echte aanrader.

Samenvattend: ga je eigen weg, al botst het soms met de gevestigde medische orde, het is hard werken maar het brengt ook veel energie en plezier!

Lees meer...

63 jaar, dochter van 20 jaar (studeert, woont nog thuis). Clara Peters klHuisarts in Gezondheidscentrum Afrikaanderwijk in Rotterdam Zuid.

Toen ik in 1979 als huisarts startte in wat toen nog heette: “Wijkwelzijnscentrum Afrikaanderwijk” wist ik eigenlijk niet goed waar ik aan begon. Ik was niet alleen “van voor de watersnood” zoals een latere collega altijd grapte, maar ook van voor de Mammoetwet en de Huisartsenstandaarden. Een van mijn eerste rolmodellen was een man: Frans Huigen, huisarts in Lent bij Nijmegen, hoogleraar huisartsgeneeskunde en een van de eerste pleitbezorgers van gezins- en contextuele geneeskunde. In zijn praktijk deed ik met een medestudent mijn keuzecoschap “Nerveus –functionele klachten in de huisartspraktijk”. Nu zouden we spreken over SOLK (somatisch onverklaarde lichamelijke klachten). 

Na mijn medische studie in Nijmegen en de eenjarige huisartsenopleiding in Doetinchem (waar precies één Italiaans en één Spaans echtpaar in de praktijk zaten) wist ik zeker dat ik in een samenwerkingsverband wilde werken bij voorkeur in de stad. Vanuit een coschap in Tanzania en activiteiten binnen de faculteitsvereniging had ik al enige affiniteit met andere culturen en vrouwenproblematiek vnvamail@vnva.nl \ " align="left" height="487" hspace="12" width="210">(wat nu vrouwspecifieke geneeskunde heet). In Rotterdam was alles een uitdaging: de –toen al- veelkleurige samenstelling van de bevolking, de gecompliceerde grote stadsproblematiek, de directe no-nonsense benadering van de gemiddelde Afrikaanderwijker (dokter doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg). Ik struikelde over veel taalbarrières, culturele verschillen die ik niet goed begreep en werd teleurgesteld dat ik niet zoveel aan de wereld kon verbeteren als ik tevoren had gedacht. Toch werd ik op allerlei plekken in de wijk en in huizen van patiënten altijd warm ontvangen en heb ik de eerste 5 jaar daar echt “het vak” geleerd. Ik leerde redelijk huis-tuin- en keuken Turks en een mondje Arabisch, wat een enorme goodwill kweekte bij mijn patiëntenpopulatie.

Mijn 2e rolmodel was Darya Hoogcarspel, mijn collega-huisarts (vanaf 1989). Samen bedachten wij allerlei nieuwe plannen in de praktijk en soms ook binnen de wijk. We gaven veel voorlichting en cursussen aan (vooral) vrouwengroepen over anticonceptie, seks en chronische ziektes tot in de moskee toe.                                                                                                                         Van Darya leerde ik meer te kijken naar mijn eigen sterke eigenschappen dan naar zwaktes en daar ook iets mee te doen. Mijn grenzen aan te geven zonder schuld gevoel (hoe vrouwelijk!). Zij sleepte me met een bevriende kinderarts mee naar de VNVA-afdeling Rotterdam, waar we binnen een half jaar in het bestuur zaten. Dat was het begin van een nogal heftige periode, waarin ik een dochter kreeg, mijn langdurige relatie stukliep, ik enige tijd in groepspsychotherapie was omdat er wel heel veel gebeurde in mijn leven, ook binnen mijn werk, waarbij ziekte en overlijden van Darya en nog een ander teamlid van het gezondheidscentrum diepe sporen achterliet. Binnen de VNVA vond ik vooral een plek waar ik met vakgenoten ideeën kon uitwisselen, waar vrouwen zaten met dezelfde passie voor het vak. Waar belangstelling was voor de verbetering van de positie(en de gezondheid) van vrouwelijke patiënten. Hoe waardevol een vertrouwd netwerk kan zijn. Rolmodellen: Toine Lagro, Corrie Hermann, Cisca Griffioen vooral vanwege hun niet aflatende betrokkenheid.                                                                                                                                              

In de redactie van de VAMP kon ik mijn liefde voor het schrijven, het uitwerken van bepaalde thema’s / het interviewen van rolmodellen kwijt, mijn manier van creatief bezig zijn.

In het opleiden van huisartsen en coassistenten kan ik tenslotte, door zelf een rolmodel te zijn, mijn enthousiasme voor ons prachtige vak overbrengen. Meer weten?

“Dokteren in de stad” J.A.M. Harmsen en C.P.J.M. Peters, Practicum huisartsgeneeskunde , 2009

“Afri” een multiculturele kroniek, Jutta Chorus, 2010.

Lees meer...

VNVA in het kort

  • De VNVA behartigt de belangen van de vrouwelijke artsen. De vereniging acht het van groot belang dat alle vrouwelijke artsen hun talenten optimaal kunnen benutten en daardoor een hun passende positie in de gezondheidszorg kunnen innemen. Tevens zet de vereniging zich in voor het inweven van seksespecifieke geneeskunde in opleiding en praktijk. Daarbij stimuleert de VNVA de gewenste maatschappelijke veranderingen…

Volg ons

VNVA op sociale media