HomeNieuwsPromoties

Promoties

Maayke Sluman kleinOp 10 mei 2017 vond de openbare verdediging plaats van het academisch proefschrift, 'A life Less Ordinary', door Maayke Sluman in de Agnietenkapel in Amsterdam.

A life less ordinary: socio-economic aspects of adult congenital heart disease.
A life less ordinaryAangeboren hartafwijkingen (AHA) zijn de meest voorkomende aangeboren afwijkingen. Door de enorme ontwikkelingen in met name de hartchirurgie, cardiale (prenatale) diagnostiek en Intensive Care zorg, is de prognose en overleving van de kinderen met AHA drastisch verbeterd, waarbij tegenwoordig meer dan 90% de volwassen leeftijd bereikt. Hierdoor zijn er inmiddels meer volwassenen dan kinderen met een aangeboren hartafwijking in Nederland. Deze groeiende patiëntengroep kan te maken krijgen met late effecten van de behandeling of ziekte zelf. Er lijkt daarnaast ondanks de verbeterde overleving ook nog steeds sprake van een zekere `sociale achterstand' ten opzichte van de algemene bevolking.

Lees meer...

Wybrich CnossenOp 16 november 2015 verdedigde Wybrich Cnossen haar proefschrift getiteld ‘Novel genetic approaches in polycystic liver disease’, Radboud Universiteit Nijmegen. Onder begeleiding van prof. dr. Joost P.H. Drenth (afdeling MDL, promotor), prof. dr. ir. Joris A. Veltman (afdeling Humane Genetica, promotor) en dr. Alexander Hoischen (afdeling Humane Genetica, co-promotor) is het proefschrift tot stand gebracht.

Het onderzoek is gestart met uitgebreid klinisch onderzoek en anamnese van patienten met levercysten. Met name de patienten met symptomatische levercysten waarbij geen niercysten aanwezig zijn. Dit betreft het autosomaal dominante ziektebeeld ‘polycysteuze leverziekte’ (PCLD). Betrokkenheid van polycysteuze nieren wordt gerekend tot de autosomale dominante polycysteuze nierziekte (ADPKD). PCLD families werden onderzocht op basis van het leverfenotype. Een opvallende bevinding is dat met name vrouwelijke patienten zeer grote polycysteuze levers hebben. Vrijwel 90% van de patienten met klachten van hepatomegalie zijn van het vrouwelijke geslacht, hoewel de overervingsvorm autosomaal dominant is. Dus volgens het overervingspatroon zou geslacht geen rol mogen spelen bij de ontwikkeling van een polycysteuze lever. Een belangrijke klinische heterogeniteit bij PCLD is gevonden.

Naast de (familie) anamnese en klinisch onderzoek werd bloed afgenomen voor DNA onderzoek. Bij circa 80% van de PCLD patienten is het genetische defect onbekend. De hoofdvraag van het promotietraject is het onderzoeken van de oorzaak van levercysten in patienten zonder een mutatie in het PRKCSH of SEC63 gen. Juist in deze grote groep is onderzocht wat de oorzaak is van het ontstaan van polycysteuze levers. Op verschillende manieren is gezocht naar de erfelijke component. Onder andere is het vocht uit levercysten onderzocht. Het DNA van cystevochtcellen bevat vele deleties, zogenaamde ‘second hits’, zoals ook in andere (goedaardige) tumoren wordt gevonden. Verdwenen stukken DNA geeft richting aan mogelijke kandidaatgenen voor PCLD. Whole-exome sequencing in twee vrouwelijke PCLD patienten van een zeer grote familie leidde tot identificatie van een nieuw gen voor PCLD. 40 familieleden namen deel aan dit onderzoek waarbij vrijwel de helft van de personen cysten hadden. Een pathogene LRP5 mutatie werd gevonden bij individuen met levercysten. Daarnaast werden genetische afwijkingen gevonden in hetzelfde LRP5 gen bij drie andere PCLD families.

omslag CnossenEen belangrijke bevinding van dit proefschrift is de betrokkenheid van de Wnt signaling bij het ontstaan van polycysteuze levers. Deze route is gerelateerd aan celdeling, -differentiatie en groei en waarbij verder onderzoek nodig is om de defecten in deze route te verhelderen.

Het promotietraject van Wybrich Cnossen leidde tot diverse nationale en internationale presentaties en prijzen, onder andere de Rolduc Award (Genetica Retraite 2013, Kerkrade), oral free paper prize (European United Gastroenterology Week 2013, Berlijn) en de Young Hepatologist Award 2014 (Nederlandse Vereniging voor Gastroenterologie, 2015).

 

 

 

Lees meer...

Op 2 december 2014 verdedigde Gert-Jan Proman zijn proefschrift: Mentor mother support: bridging the gap.

Ongeveer 30 procent van de vrouwen in Nederland die de huisarts bezoeken, is ooit slachtoffer geweest van partnergeweld. De helft hiervan heeft depressieve klachten. Dat blijkt uit het proefschrift van Gert-Jan Prosman vanuit de afdeling Vrouwen Studies Medische Wetenschappen van het Radboudumc. Uit zijn onderzoek blijkt ook dat partnergeweld bij migranten veel meer voorkomt dan onder autochtone vrouwen (40% t.o.v. 25%).

Uit het onderzoek blijkt ook dat partnergeweld door de huisarts als reden voor klachten nog te weinig wordt herkend. „Vrouwen zelf durven vanwege schaamtegevoelens dit onderwerp vaak niet aan te stippen bij de huisarts en ook de huisarts herkent het niet. Als een vrouw de huisarts veel bezoekt vanwege sociale, gynaecologische of verslavingsklachten, zou dat voor de dokter een indicatie kunnen zijn dat er misschien sprake zou kunnen zijn van partnergeweld. Mishandelde vrouwen bezoeken de huisarts nl. veel vaker, dan niet slachtoffers. Vrouwen met dergelijke klachten, krijgen volgens hem ook veel vaker antidepressiva voorgeschreven. Ook worden zij veel vaker doorverwezen voor verder diagnostisch onderzoek naar het ziekenhuis en naar een psycholoog.”

Op dit moment schiet de aangeboden vanuit de eerste lijn en de GGZ hulp aan mishandelde vrouwen tekort. Om de hulp aan mishandelde vrouwen te verbeteren, is een nieuw beroep vanuit de huisartsenpraktijk ontwikkeld: mentormoeder. Bij partnergeweld verwees de huisarts de vrouwen naar mentormoeder hulp voor Steun en Advies (MeMoSA). In het totaal hebben 43 vrouwen deelgenomen aan dit onderzoek en zijn ze gedurende 16 weken wekelijks keer thuis bezocht door een speciaal getrainde mentormoeder. Deze mentormoeders hadden allen een multiculturele achtergrond, waardoor cultuur sensitieve hulpverlening is aangeboden. De vrouwen kregen hulp om adequater om te gaan met partnergeweld en werden ook geholpen met hun depressie. Daarnaast kregen ze ook praktische hulp bij het vinden van een baan en opleiding of aanvullende hulp voor henzelf of hun kinderen. Ook werden de moeders ondersteund in de opvoeding, omdat ook kinderen die getuige zijn van geweld vaker psychische klachten hebben. De methode bleek succesvol: bij 25 van de 43 vrouwen stopte na de interventie het geweld. Door de hulp van de mentormoeders zijn de vrouwen sterker geworden en kunnen zij beter met de dreiging van partnergeweld om te gaan. Ze hebben vaardigheden geleerd, waardoor ze de man beter duidelijk kunnen maken wanneer hij ongewenst gedrag vertoont. Verder is door de hulp ook de depressieve klachten met 35 procent onder de vrouwen gedaald.


Achtergronden over Gert-Jan Prosman.
Gert-Jan Prosman is vanaf 1-1-2013 parttime als UD werkzaam op de universiteit Utrecht bij de Afdeling Klinische & Gezondheidspsychologie en heeft een psychologenpraktijk in Papendrecht en Dordrecht. Als GZ-psycholoog, cognitief gedragstherapeut en eerstelijnspsycholoog voert hij behandelingen uit binnen de GBGGZ.

 

Lees meer...

image-2015-01-27 bul uitreikingDinsdag 20 januari 2015 promoveerde Margret Alers aan de Radboud Universiteit Nijmegen met haar onderzoek getiteld: Specialty Preferences of Medical Students: Gender and Work-Life Balance.
Met op de achtergrond de feminisering bij geneeskunde studenten en een onevenredige verdeling over de medische specialisaties bestudeerde zij hoe mannen en vrouwen al tijdens hun studie verschillen in specialisatievoorkeur en welke factoren hiermee samenhangen. Met een vragenlijst over motivatie, een fulltime of parttime werkvoorkeur, afwegingen in een werk-privé balans keek zij in jaar 1,3 en 6 naar de mening van geneeskundestudenten. Ook vergeleek zij culturele verschillen met Zweden. In het laatste jaar interviewde in focusgroepen studenten voor redenen voor hun specialisatie keuze en stelde ze daar thema's in vast. Een internationale literatuurstudie plaatste de studieresultaten in een bredere context.

Een sekseverschil en cultureel verschil in specialisatie voorkeur is vanaf het begin van de studie van invloed op specialisatie voorkeur door afwegingen in de werk-privé balans. In jaar 1 heeft 60% van de studenten een specialisatie voorkeur. Mannen kiezen vaker voor chirurgie, vrouwen voor kindergeneeskunde. Alleen vrouwen kiezen voor gynaecologie. En beide kiezen Interne. In Zweden er geen sekseverschillen in specialisatie voorkeur zijn behalve dat ook daar bijna alleen vrouwen gynaecologie kiezen. Mannen hebben vaker als motivatie carrière salaris en techniek; vrouwen vinden het combineren van carrière en zorgtaken en aantrekkelijke werktijden belangrijk. In Nederland wil 80% van de mannen en 50% van de vrouwen fulltime werken. In Zweden willen beiden 70% fulltime werken. In zowel Nederland als Zweden werken in de meeste specialisaties vrouwen minder fulltime. En vrouwen die aantrekkelijke werktijden waardeerden hebben meer interesse in huisartsgeneeskunde en minder in chirurgie. De interessante inhoud van een specialisatie en veel patiënten contact blijkt voor mannen en vrouwen de belangrijkste motivatie. In zowel Nederland als Zweden vinden vrouwen vaker dat er een gelijkheid in carrièremogelijkheden en zorgtaken moet zijn en dat hun carrière invloed heeft op hun gezinsleven. Vrouwen die chirurgie kiezen benadrukken het meest gelijke carrièremogelijkheden.

Halverwege de studie, na drie jaar theoretisch onderwijs, heeft 80% van de studenten een specialisatie voorkeur. Seksespecifieke verschillen consolideren, vrouwen willen nog meer parttime werken en anticiperen vaker op zorgtaken. We stellen vast dat een voorkeur in jaar 1 voor chirurgie, gynaecologie, of huisartsgeneeskunde de kans vergroot op die voorkeur in jaar 3. 90 procent van de mannen wil fulltime werken en slechts 30 procent van de vrouwen. Mannen houden vanaf het begin vast aan fulltime voorkeur terwijl een op de vier vrouwen hun fulltime voorkeur omzet in een parttime voorkeur. Zowel mannen als vrouwen verwachten dat het hebben van een gezin de carrière van vrouwen zal beinvloeden.

Aan het einde van de studie heeft 90% van de studenten een specialisatie voorkeur. We zien nu dat vrouwen vaker huisartsgeneeskunde kiezen. 80% van de mannen en 50% van de vrouwen willen fulltime werken. Een fulltime voorkeur leidt vaker tot een keuze voor chirurgie, interne geneeskunde of neurologie, een parttime voorkeur tot huisartsgeneeskunde of psychiatrie. Mannen en vrouwen kiezen vaker voor fulltime werken als ze gelijke carrièrekansen waarderen of als ze verwachten dat hun partner minder ambitieus is. Vrouwen die chirurgie kiezen waarderen gelijke carrière kansen het meest. Als vrouwen verwachten dat hun partner minder ambitieus is kiezen ze vaker voor chirurgie; en een ambitieuzere partner verhoogt de kans op huisartsgeneeskunde. We concluderen dat het anticiperen van vrouwelijke studenten op carrière en zorgtaken hun focus op fulltime werken verzwakt, wat zeer invloedrijk is voor hun specialisatie voorkeur

Bijna alle eindejaars studenten vinden bij het interview dat ze hun specialisatie kiezen aan het einde van hun co-schappen. Het hoofd thema daarbij is de interessante inhoud van een specialisatie en die heeft voor beide seksen dezelfde kenmerken. Bijvoorbeeld hectiek en techniek en minder patiënt contact bij chirurgie of juist veel patiënt contact en divers en minder competitie bij huisartsgeneeskunde. Thema’s die van grotere invloed zijn voor vrouwen zijn:
De werk-privé balans, waarbij vrouwen meer de privé kant benadrukken en mannen de werk kant.
Specialismen buiten het ziekenhuis worden benoemd als geschikter voor de privé balans.
D
e werkplek cultuur ervaren tijdens co-schappen bemoedigt of ontmoedigt sterk de keuze vooral bij vrouwen.
E
n toelatingseisen zijn alsnog een reden voor een specialisatie keuze, bijvoorbeeld de workload, een promotie eis, maar ook zwangerschap en zelfs positieve discriminatie van mannen.

We zien dus dat afwegingen in werk-privé balans, de ervaren cultuur op de werkplek bij de co-schappen en toelatingseisen, een seksespecifieke invloed hebben op de specialisatie keuze van vrouwen. Onze review laat zien dat er internationaal eenzelfde sekseverschillen zijn gedurende de hele geneeskunde opleiding, waarbij mannen kiezen voor chirurgie en vrouwen voor huisartsgeneeskunde, gynaecologie en

We vatten ons onderzoek samen in 5 conclusies:

1. De interessante inhoud van een specialisatie door mannen en vrouwen wordt genoemd als de belangrijkste keuzebepaler. En dat kenmerken voor een specifieke specialisatie voor mannen en vrouwen hetzelfde zijn.
2. De verwachtingen die vrouwelijke studenten hebben over carrière en zorgtaken verzwakt hun focus op fulltime werken en dat is zeer invloedrijk voor hun specialisatie voorkeur.
3. Het Nederlandse culturele rollenpatroon in de verdeling van carrière en zorgtaken hangt samen met sekseverschillen in specialisatie voorkeur.
4. Sekseverschillen in carrière voorkeuren zijn aanwezig vanaf het begin van het medisch onderwijs en consolideren halverwege de medische opleiding. Carrière besluitvorming vindt dus niet plaats op het einde maar aan het begin van de opleiding.
5. Medische studenten, medisch onderwijs en de medische beroepsgroep conformeren zich aan een heersend rollenpatroon rondom de verdeling van carrière en zorgtaken, terwijl dit een negatieve invloed heeft op de loopbaan van vrouwelijke geneeskunde studenten.

Hoe nu verder? We bereiken een gewenste werkelijkheid als een specialisatie keuze van mannen of vrouwen gebaseerd is op inhoud en competentie en niet door een cultureel bepaalde werk-privé balans. Daarom adviseren wij dat er een discussie komt over ons culturele rollenpatroon, er een duidelijk beleid is van ziekenhuizen ten aanzien van hun artsen, maar vooral dat er een actieve loopbaanbegeleiding komt op basis van inhoud en vaardigheid vanaf het begin van het medisch onderwijs, en onderzoek daarover.
D
ie voor verdere inhoud van de promotie en discussie ook het digitale proefschrift dat is in te zien via http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/134348/134348.pdf?sequence=1

 

Invitational Conference getiteld: Specialty Preferences of Medical Students: Gender and Work-Life Balance.
Dinsdag 20 januari 2015 werd te Huize Heyendaal een Invitational Conference georganiseerd door de vakgroep Vrouwenstudies Medische Wetenschappen van de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het Radboudumc en mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van de VNVA.
Onderwerp was ‘Specialty Preferences of Medical Students: Gender and Work-Life Balance’, promotie van Margret Alers later die dag. Haar promotor professor Toine Lagro-Janssen was dagvoorzitter.

De conference stelde zich ten doel met docenten en belanghebbenden op het gebied van gender en medisch onderwijs strategieën voor een inhoudelijke en competentiegerichte loopbaanbegeleiding voor mannelijke en vrouwelijke studenten te ontwikkelen. Opleidingsdirecteur van geneeskunde bij het Radboudumc, Prof. dr. Roland Laan opende de bijeenkomst. Hij gaf een toelichting op de huidige situatie van geneeskunde studenten ten aanzien van hun beroepskeuze door het schetsen van de ontwikkelingen van het nieuwe curriculum dat in het najaar van 2015 begint en veel meer afstemd op de persoonlijke kleur van de student in samenhang met de vraag vanuit de beroepsgroepen.
Het eerste deel van het congres was bedoeld voor een situatie beschrijving van mannelijke en vrouwelijke medische studenten in hun carrière keuzen. Helaas verviel een situatiebeschrijving vanuit Zweden omdat Professor Katarina Hamberg van Umeå University Zweden wegens ziekte was verhinderd. Marc Soethout, sociaal geneeskundige en opleidingscoordinator bij het Vumc, presenteerde de situatie in Nederland met landelijk verkregen data (NIVEL, KNMG en IMBK). In algemene zin stond hij stil bij de aansluiting van behoefte vanuit het beroepsveld en wensen van studenten.

Bij tweede deel van het congres lag de nadruk op de situatie rondom afwegingen in een werk-privé balans. Gabie de Jong, chirurge bijna klaar met haar opleiding en voorzitter van De Jonge Specialist, vervolgde de bijeenkomst met een reflectie vanuit het artsenvak. Zij beschreef vanuit een persoonlijke invalshoek ervaringen van jonge aio's. Hierin de keuzes van jonge artsen op inhoud en rekening houdend met privé situatie, gezin en keuzes later op dat gebied. Ze maakte daarbij ook een uitstapje naar de behoefte die er is om behalve medisch inhoudelijk ook in bredere zin te worden opgeleid namelijk vanuit competentie en bijvoorbeeld op het gebied van communicatie, management en teamwork.

Tot slot vertelde Rutger-Jan van der Gaag, psychiater en voorzitter van de KNMG, over gender verschillen in aanleg en opvoedingsstijl, waardoor de gelijkwaardigheid al vroeg uitelkaar loopt. Daarbij stond hij ook stil bij de gezichtspunten van zijn nicht Nikki van der Gaag in haar recente boek "Feminism & Men" over de vraag "Women in the lead... why not", en hij rondde af met een beschouwing over de strategie waarmee de KNMG medisch leiderschap met name bij vrouwen probeert te stimuleren.
In het kenniscentrum kunt u hun presentaties terugvinden en lezen.

Lees meer...

Titel proefschrift: 'Primary immunodeficiencies, Mycobacterial infections, and cytokines'.

Knipsel Omslag HaverkampDit proefschrift onderzoekt de invloed van pro-inflammatoire cytokinen op de gevoeligheid van de mens voor mycobacteriële infecties. Infecties met niet-tuberculeuze mycobacteriën (NTM) komen zelden voor. Omdat NTM sommige mensen ernstig en ook bij herhaling ziek maken, hebben wetenschappers zich lang afgevraagd of genetische afwijkingen daarbij een rol spelen. In de laatste vijftien jaar is dit vermoeden bevestigd. Wereldwijd zijn ruim 360 patiënten met Mendelian Susceptibility to Mycobacterial Disease (MSMD) bekend. In dit proefschrift wordt NEMO deficiëntie voor het eerst aangemerkt als MSMD. Vervolgens legden wij het verband tussen het vóórkomen van mycobacteriële infecties in jonge kinderen en variaties in IFNG en IL10. Ook onderzochten wij Cryopyrin Associated Periodic Syndrome (CAPS) waarbij een te hoge cytokine productie tot ontsteking leidt. Deze patiënten bleken hun cytokine productie onvoldoende te kunnen verhogen na activatie van hun cellen. Dit bleek onafhankelijk van de IL-1β antagonist Anakinra, een zeer effectief medicijn tegen deze ziekte, en daarom van IL-1β.

Een zich steeds verder ontwikkelende medische wetenschap en toenemende hygiëne zorgen ervoor dat immuundeficiënties slechts in gematigde vorm tot uiting komen. Tegelijkertijd blijven de meest ernstig zieke patiënten nu veelal wel in leven. Deze patiënten zijn een belangrijke bron van informatie over de werking van ons immuunsysteem.

Lees meer...

Promotie Caroline klAsymptomatic bacteriuria & urinary tract infections in women
Focus on diabetes mellitus and pregnancy - Rijksuniversiteit Groningen

Promotie Caroline Schneeberger

Op woensdag 3 december verdedigde ons kersverse bestuurslid Caroline Schneeberger haar proefschrift “Asymptomatische bacteriurie en urineweginfecties bij vrouwen, met de focus op diabetes mellitus en zwangerschap”. Een afvaardiging van het bestuur, ook van de afdeling Noord-Nederland, toog naar Groningen, naar het prachtige Academiegebouw.

Met verve zagen we Caroline alle vragen van de promotiecommissie, een bont gezelschap van epidemiologen, een statisticus, internisten/infectiologen, obstetrici en microbiologen beantwoorden. Zij deed dat soms zo snel, dat er nog aardig wat tijd over bleek voor levendige discussies tussendoor. En dat dan ook nog op haar dertigste verjaardag!

Tijdens de receptie, met champagne natuurlijk, vertelde haar moeder nog een persoonlijk verhaal over Caroline, haar carrière en het tot stand komen van dit proefschrift.

Uit zowel de voorpagina van haar proefschrift alsook haar dankwoord maakten we al op dat de graad van doctor (PhD) weliswaar heel eervol is maar ook gepaard gaat met een serie hele banale zaken zoals daar zijn: het verzamelen en onderzoeken van meer dan 1000 urinemonsters (en de hulp die je daarbij nodig hebt), het urenlang invoeren van – naar later blijkt- onbruikbare data, het proberen een artikel in te dienen vanuit de vreemdste plekken in het buitenland (Ecuador, St Maarten, Adelaide) en ga zo maar door.

Je hebt het hem toch maar gefikst, Caroline, van harte! En nu de start van een nieuwe carrière, je vader en grootvader achterna: de microbiologie!

door Calra Peters

Lees meer...

Cardiovascular risk at intermediate term in women after hypertensive pregnancy diseases.

10 september 2014, Radboud Universiteit Nijmegen.

 

Lees meer...

promotie Hedwig

Risk factors in women’s health in different stages of life

Promotie Hedwig M.M. Vos

Op 26 juni jl. Promoveerde VNVA-lid en huisarts Hedwig Vos op het onderwerp ‘Risk factors in women’s health in different stages of life’. Meerdere VNVA leden woonden deze zitting bij. Het onderzoek van Hedwig bracht meerdere interessante punten aan het licht, die nuttig zijn om te weten bij het opzetten van preventie-programma’s.

Preventie door middel van passieve case finding is goed toepasbaar bij vrouwen in de huisartsenpraktijk en er bestaat minder noodzaak voor een proactieve strategie bij vrouwen vergeleken met mannen. Vrouwen, en in het bijzonder zij die een hoog risico lopen op leefstijlgerelateerde aandoeningen, consulteren frequent hun huisarts. Er zijn verschillende aangrijpingsmomenten voor preventie mogelijk bij vrouwen bijvoorbeeld op jonge leeftijd bij anticonceptie gebruik, preconceptie advies, zwangerschapsgerelateerde complicaties en op latere leeftijd screening baarmoederhalskanker en perimenopauzale klachten. Onder de rokers zijn vrouwen ook beter bereikbaar voor preventieve acties door middel van case-finding dan mannen. Rokende vrouwen consulteren hun huisarts significant vaker dan niet-rokende vrouwen, terwijl bij mannen het omgekeerde het geval is.

 Preventieve gezondheidsprogramma’s gericht op jonge, vrouwen gericht op de toekomstige consequenties van hun leefstijl zullen meer effectief zijn dan gericht op huidige ervaren gezondheid. En premenopauzale vrouwen met een lage sociaaleconomische status, die er gemiddeld een ongezondere leefstijl op nahouden, komen net zo vaak bij de huisarts als vrouwen met een hogere sociaaleconomische status.

Politieke keuzes om preventie en wetenschappelijk onderzoek hiernaar in tijd en geld te faciliteren zijn essentieel Omdat hiermee de belangrijkste barrieres voor implementatie van preventie, namelijk de combinatie van onzekerheid over vergoeding en het gebrek aan wetenschappelijk bewijs, worden weggenomen.

Fotograaf: Gerard Verschooten

Lees meer...

The maternal brain in (pre)eclampsia. Long-term neurocognitive functioning

Ineke Postma, 2 juli 2014 om 11:00 uur in het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen. 

Vrouwen die preeclampsie of eclampsie doormaakten tijdens hun zwangerschap uiten jaren later vaker cognitieve problemen en symptomen van angst en depressie in het dagelijks leven, blijkt uit dit proefschrift. Er blijkt echter geen sprake te zijn van objectief aantoonbare dysfunctie op neurocognitieve tests.

Lees meer...

On speaking terms: choice and decision-making in maternity care

Marianne Nieuwenhuijze, 20 mei 2014, Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, RadboudUMC en Academie Verloskunde Maastricht, Zuyd organiseren op 20 mei 2014 een symposium ter gelegenheid van de promotie van Marianne Nieuwenhuijze, getiteld: Gezamenlijke besluitvorming in de verloskundige zorg. Programma.

Lees meer...

VNVA in het kort

  • De VNVA behartigt de belangen van de vrouwelijke artsen. De vereniging acht het van groot belang dat alle vrouwelijke artsen hun talenten optimaal kunnen benutten en daardoor een hun passende positie in de gezondheidszorg kunnen innemen. Tevens zet de vereniging zich in voor het inweven van seksespecifieke geneeskunde in opleiding en praktijk. Daarbij stimuleert de VNVA de gewenste maatschappelijke veranderingen…

Volg ons

VNVA op sociale media